DIT IS MIJN WINST SOFTWARE B.V.

All posts in Nieuws voor de eenmanszaak of vof

De vrijstelling in box 1 voor op of na 1 januari 2013 afgesloten kapitaalverzekeringen eigen woning, beleggingsrechten eigen woning en spaarrekeningen eigen woning is afgeschaft en wordt belast als vermogen in box 3.
De enige uitzondering op deze regeling is de overgangsregeling voor overgesloten hypotheken. Bestaande hypotheken die voor 1 april 2013 zijn omgezet naar een (bank)spaarhypotheek vallen nog onder de oude regels voor aftrekbare hypotheekrente.
Wat voor 1 januari 2013 is afgesloten, blijft wel vrijgesteld in box 1 tot maximaal € 154.000 per persoon bij 20 jaar of langere premiebetalingen.
(Bron: ABAB)

De staatssecretaris keurt in een nieuw besluit over eigenwoningrente in de IB goed dat boeterente, al dan niet in het kader van rentemiddeling, niet wordt aangemerkt als kosten van geldleningen maar als rente van schulden. Boeterente is dan aftrekbaar als rente van schulden en wordt ook voor de beoordeling van de fiscale aflossingseis aangemerkt als rente. Onder boeterente wordt in dit kader verstaan de reële vergoeding die de bank in rekening brengt en die bestaat uit het renteverlies dat de bank lijdt over de nog resterende rentevastperiode bij het (gedeeltelijk) aflossen, wijzigen of oversluiten van een lening. Het maakt daarbij niet uit hoe de bank deze vergoeding berekent en of deze al dan niet wordt uitgesmeerd over de nieuwe rentevastperiode. Andere opslagen die een bank in het kader van rentemiddeling in rekening brengt, zoals een opslag voor het risico van vroegtijdig volledig aflossen bij verkoop, zijn niet aan te merken als boeterente. Deze opslagen worden dan ook niet aangemerkt als rente van schulden, behalve als het totaal van alle overige opslagen de doelmatigheidsgrens van 0,2% niet overschrijdt. Staat een aanslag IB al onherroepelijk vast, dan kan een verzoek tot ambtshalve vermindering worden ingediend als minder dan vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft. Het besluit treedt op 8 december 2015 in werking.

Zorggroepen, gezondheidscentra en geboortezorgcentra in de eerste lijn betalen vanaf komend jaar geen 21 procent btw meer over de vergoeding voor de overheadkosten die zij maken. Een ruime meerderheid in de Tweede Kamer stemde woensdagmiddag in met een amendement op het Belastingplan 2016 van de parlementariërs Neppérus (VVD) en Groot (PvdA), dat deze btw-vrijstelling per 1 januari 2016 moet regelen. Het Belastingplan van staatssecretaris Wiebes moet overigens nog worden goedgekeurd door de Eerste Kamer, waar de coalitie van PvdA en VVD geen vanzelfsprekende meerderheid heeft.

In het amendement stellen beide coalitiegenoten voor om de verbruiksbelasting op onder meer frisdrank, limonade en vruchtensap (frisdrankaccijns) te verhogen. Het geld dat deze fiscale maatregel de schatkist oplevert, zo’n 30 miljoen euro per jaar, moet worden ingezet om een btw-vrijstelling te kunnen bekostigen voor zorggroepen. Staatssecretaris Wiebes (VVD, Financiën) kan aan de wens van de Kamer tegemoetkomen door het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting uit 1968 aan te passen. Hiervoor is geen wetswijziging nodig. Wiebes deed vorige week in een debat over het Belastingplan al de toezegging dat hij de btw-vrijstelling voor zorggroepen per 1 januari volgend jaar zou regelen, mits het amendement door een meerderheid van de Kamer gesteund zou worden.

‘Het ei is gelegd’, zegt Theo Bisschops, fiscaal jurist en directeur van zorggroep RCH Midden-Brabant. ‘Waarschijnlijk regelt de staatssecretaris via een beleidsbesluit nu dat zorggroepen en gezondheidscentra voortaan erkend worden als sociale en culturele instellingen. Volgens Europese regels zijn zij vrijgesteld van het betalen van btw. Deze weg is onlangs ook in de wijkverpleging bewandeld. Hiermee erkent de politiek dat als de zorg onderdeel is van een geheel, zoals bij ketenzorg het geval is, de belastingdienst niet zomaar een knip kan maken.’

Al enkele jaren komen zorggroepen en gezondheidscentra in het geweer tegen de btw-heffing op de vergoeding voor de administratieve kosten die zij maken om de kwaliteit van en de samenwerking in de zorg te handhaven en te verbeteren. De fiscus oordeelde tot op heden dat bij het maken van overheadkosten door zorggroepen er geen directe zorgrelatie is met de patiënt en dat er daarom geen sprake kan zijn van btw-vrijgestelde medische zorgverlening. Een standpunt dat in het voorjaar van 2014 nog door het Amsterdamse Hof werd bevestigd in een zaak die was aangespannen door zorggroep Zaanstreek-Waterland.

Al stelde Christel van Vugt, accountmanager bij brancheorganisatie InEen, onlangs in een artikel in Medisch Contact dat de fiscus in de afgelopen jaren niet één lijn heeft getrokken bij het aanslaan van de zorggroepen. ‘Sommige zorggroepen hebben (..) nooit btw betaald. Sommige hebben een vrijstelling, andere weer niet. Weer andere hebben, na de uitspraak van het Amsterdamse Hof in 2014, een forse aanslag met terugwerkende kracht opgelegd gekregen. ’

Een interessante vraag is nu of de fiscus besluit om met terugwerkende kracht de btw-aanslagen voor zorggroepen kwijt te schelden. Nika Stegeman, belastingadviseur, reageert terughoudend. ‘Het grootste struikelblok is dat de btw-vrijstelling gekoppeld is aan de verhoging van de verbruiksbelasting op frisdrank. Er is dus pas per 1 januari 2016 budgettaire dekking voor het schrappen van de btw-heffing op zorggroepen. Aan de andere kant merk je ook dat de Kamer vindt dat deze vrijstelling echt nodig is. De Kamer kan de staatssecretaris dan ook opdragen om zorggroepen met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 vrij te stellen van het betalen van btw. Een regeling waarbij zorggroepen ook een btw-vrijstelling krijgen voor de jaren tot 2015, is uitvoeringstechnisch lastig. Je hebt het hier dan namelijk over gesloten boekjaren.’

Bisschops: ‘Met deze uitspraak van de Kamer in de hand heeft de belastingdienst het recht om tot 1 januari 2016 btw te heffen op de overheadkosten van zorggroepen. In theorie zou de fiscus na dit aangenomen amendement dus zelfs extra werk kunnen gaan maken van het met terugwerkende kracht aanslaan van zorggroepen. Onder de belastinginspecteurs zitten hele eigengereide personen en de wettelijke naheffingstermijn is vastgesteld op vijf jaar. Daarna ben je pas veilig. Aan de andere kant kan staatssecretaris Wiebes ook besluiten om de btw-aanslagen op zorggroepen over de afgelopen vijf jaar juist terug te draaien. Dit is ook in de wijkverpleging gebeurd. Het is allemaal heel verwarrend. De champagne kan nog niet open.’

Zelf probeert Bisschops de heffing van ongeveer een half miljoen euro (inclusief naheffing) die zijn zorggroep RCH Midden-Brabant kreeg opgelegd ongedaan te maken via een bodemprocedure bij de rechtbank Zeeland/West-Brabant. ‘Ondanks dit besluit van de Kamer gaan wij onze procedure gewoon doorzetten. Of de fiscus moet ineens een draai make. Voor mij is dit een principekwestie.’

(Bron: Medisch-contact)

Onregelmatigheden in de CO2-emissies zijn direct van invloed op verleende belastingvoordelen en staatssecretaris Wiebes vindt het van groot belang dat alle relevante feiten zo snel mogelijk op tafel komen. Hij is daarom een onderzoek gestart naar de mogelijke gevolgen van deze onregelmatigheden voor de belastingheffing. Dit antwoordt de bewindsman op Kamervragen over het terugvorderen van ten onrechte verleende belastingvoordelen bij sjoemelende autofabrikanten. Volgens de staatssecretaris is duidelijk dat een eventueel schadeverhaal thuishoort bij de veroorzaker van de schade en niet bij de consument. Volkswagen heeft in een brief aan de minister van Financiën laten weten dat de Volkswagen Groep eventuele additionele heffingen als gevolg van een te lage fabrieksopgave voor de CO2-emissies volledig voor haar rekening zal nemen. Zij heeft nadrukkelijk verzocht om geen aanvullende claims bij de consumenten neer te leggen. De volgende fiscale regelingen zijn volgens de staatssecretaris relevant: een lagere BPM, verlaagde tarieven in de MRB voor auto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 g/km en (de milieukortingen in) de bijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak. Verder zal er ook doorwerking zijn naar onder andere de BTW en de provinciale opcenten en kunnen ook stimuleringsregelingen, zoals de milieu-investeringsaftrek en de willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen, worden geraakt door eventuele onregelmatigheden in de CO2-emissies.

(Bron: FUTD)

Bij expiratie van een pensioenpolis moet binnen een “redelijke termijn” een recht op een pensioenuitkering worden aangekocht. Wat onder een “redelijke termijn” termijn kan worden verstaan heeft de belastingdienst in (Vraag & Antwoord 10-001 d.d. 040510) aangeven dat hierbij een onderscheid gemaakt moet worden naar de situatie bij leven en de situatie bij overlijden.

Voor een uitkering bij leven geldt een termijn van 6 maanden voor een uitkering bij overlijden geldt een termijn van 12 maanden.

De “redelijke termijn” is tijdelijk verlengd tot 31 december 2016 en geldt naast de regeling pensioenknip. Dat betekent dat bij thans expirerende pensioenpolissen uiterlijk ultimo 2016 een pensioen moet zijn aangekocht. Hierdoor kan ook nog gebruik worden gemaakt van het wetsvoorstel variabele pensioenuitkering, dat thans in voorbereiding is.

(Pensioenweblog)

X was onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met Y. In 2006 werd de echtscheiding uitgesproken. Y beschikte in de jaren 2001 tot en met 2004 in het buitenland over vermogensbestanddelen die in geen van hun aangiften IB waren opgenomen. Het betrof bedragen tussen € 292.696 en € 386.180, afkomstig uit de erfenis van haar moeder. In december 2009 meldde X het buitenlandse vermogen bij de Belastingdienst. Y wilde echter niet meewerken. De inspecteur legde navorderingsaanslagen op, waarbij hij de helft van de vermogensbestanddelen aan X toerekende. X ging in beroep en stelde dat hij de keuze van toerekening van vermogensbestanddelen zonder instemming van de ex-partner kon herzien, waardoor de volledige bedragen bij Y in de heffing moesten worden betrokken. Hof Den Bosch was het niet met X eens. Herziening in de zin van artikel 2.17, lid 3, Wet IB 2001 was volgens het Hof niet mogelijk, omdat de ex-partner daar niet aan meewerkte. X ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat met het wettelijke vermoeden van een verdeling bij helfte juist was beoogd te voorkomen dat de inspecteur een juridisch correcte verdeling moest maken, met alle bewijsrechtelijke complicaties van dien, in situaties waarin partners niet in staat of bereid waren om zelf een (andere) verdeling te maken. De Hoge Raad verwierp ook de stelling van X dat de inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel had gehandeld. De inspecteur had de wettelijk voorgeschreven toerekening van het buitenlandse vermogen toegepast, zodat hem geen onzorgvuldig handelen kon worden verweten. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van X ongegrond.

(Bron:FUTD)

Vanaf nu is het ook mogelijk om offline een WBSO-aanvraag voor 2016 in te vullen. Ondernemers die al vanaf 1 januari 2016 gebruik willen maken van WBSO, dienen uiterlijk 30 november 2015 de aanvraag te doen.

Het aanvraagprogramma WBSO 2016 is te downloaden op de site van de Rijksdienst van Ondernemend Nederland (RVO). De aanvraag kan offline worden ingevuld en vervolgens online via het eLoket indienen. De WBSO-aanvraag kan ook online ingevuld en ingediend worden. Voor beide manieren is eHerkenning (niveau 2+) nodig.

Op tijd aanvragen
Ondernemers die al vanaf januari 2016 hun kosten voor R&D willen verlagen, dienen uiterlijk 30 november 2015 WBSO aan te vragen. Een aanvraag moet namelijk uiterlijk één volledige kalendermaand voor de start van de R&D-werkzaamheden bij de RVO worden ingediend. Bij aanvragen na 30 november 2015 is de startdatum later dan 31 januari 2016.

Zelfstandigen
Voor zelfstandige ondernemers gelden andere regels. Zij kunnen tot en met 1 januari 2016 een WBSO-aanvraag indienen voor hun eigen R&D-werkzaamheden die starten op 1 januari 2016.

De WBSO-informatie van de RVO is gebaseerd op de wijzigingen in de WVA zoals opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2016 en de hierop gebaseerde Regeling S&O-afdrachtvermindering en is onder voorbehoud van goedkeuring van het Belastingplan. Pas nadat het Belastingplan 2016 is aangenomen door de Eerste Kamer, kan de Regeling worden gepubliceerd in de Staatscourant. Tot die tijd is de Regeling als voorgenomen beleid te downloaden onder officiële bekendmakingen.

Bron: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

X was enig erfgenaam van de in december 1998 overleden Y. Tot de nalatenschap behoorden onder meer een tegoed op een bankrekening en effecten bij een bank in Zwitserland. X vermeldde het Zwitserse vermogen niet in de aangifte successierecht. In februari 2014 maakte X in het kader van de IB alsnog melding van niet-aangegeven vermogen. De inspecteur legde naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag successierecht van € 100.925 op. X ging in beroep en stelde dat navordering niet meer mogelijk was, omdat bij de inwerkingtreding van de onbeperkte navorderingsbevoegdheid op 1 januari 2012 de daarvoor geldende navorderingstermijn van 12 jaar al was verstreken. Rechtbank Gelderland besliste dat uit de letterlijke tekst van artikel 66, lid 3, SW niet volgde dat onbeperkte terugwerkende kracht toekwam aan die bepaling, in die zin dat ook voor nalatenschappen waarvoor de bevoegdheid tot navordering op 1 januari 2012 al was vervallen, de in de tijd onbeperkte navorderingsbevoegdheid gold. Ook uit de parlementaire geschiedenis volgde niet dat de wetgever had bedoeld om in dit soort situaties onbeperkte terugwerkende kracht te verlenen. Uit de toelichting op het amendement waarbij de onbeperkte navorderingsbevoegdheid was ingevoerd, en de antwoorden van de staatssecretaris bleek volgens de Rechtbank dat uitsluitend was bedoeld om nalatenschappen onder de bepaling te laten vallen waarvoor de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar nog niet was verstreken op 1 januari 2012. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond en vernietigde de navorderingsaanslag.

(Bron: FUTD)

Als u met zzp’ers werkt, is het belangrijk om met een aantal fiscale aspecten rekening te houden. U wilt immers geen problemen krijgen met de Belastingdienst. Nu de Verklaring arbeidsrelatie (VAR) op termijn wordt afgeschaft, is het belangrijk om hier tijdig op te anticiperen.

 

Een juiste VAR biedt een opdrachtgever vooraf zekerheid dat er geen loonheffingen verschuldigd zijn. Hierdoor is het voor een zzp’er makkelijker om een opdracht te verkrijgen. In de praktijk blijkt echter dat veel zzp’ers met een VAR als schijnzelfstandige werkzaam zijn, terwijl de Belastingdienst de opdrachtgever dan niet kan aanspreken. Dit is een belangrijke reden waarom de VAR komt te vervallen.

Voorbeeldovereenkomsten

De VAR wordt vervangen door een systeem van voorbeeldovereenkomsten. Inmiddels zijn er diverse overeenkomsten op de website van de Belastingdienst gepubliceerd. U kunt ook zelf een overeenkomst ter goedkeuring voorleggen aan de Belastingdienst. Een voorbeeldovereenkomst biedt ondernemers en zzp’ers zekerheid dat er geen loonheffingen zijn verschuldigd. Dit geldt overigens alleen als conform de overeenkomst wordt gewerkt. Mocht achteraf blijken dat de overeenkomst niet juist is nageleefd, dan kan de opdrachtgever toch worden geconfronteerd met een naheffing van loonheffingen.

 

Minder rechtszekerheid

De nieuwe regelgeving biedt opdrachtgevers dus minder rechtszekerheid dan onder het regime van de VAR. De tijd moet nog uitwijzen op welke punten de Belastingdienst zal toetsen en in hoeverre afwijkingen van de overeenkomst wel of niet worden geaccepteerd. Door forse kritiek op de voorgestelde regels is de invoering van de voorbeeldovereenkomsten uitgesteld tot 1 april 2016. Dit is althans de streefdatum. De vrijwarende werking van de VAR blijft voor de opdrachtgever bestaan, totdat de nieuwe regels in werking treden, dus in elk geval tot 1 april 2016.

 

Huurt u als ondernemer regelmatig zzp’ers in, dan doet u er nu al verstandig aan om in aanloop naar de nieuwe regels kritisch te kijken naar de zzp’ers die u inhuurt en te controleren of u straks werkt conform goedgekeurde overeenkomsten.

(Bron: ABAB)

Op 8 juli 2015 is de pensioenknip weer opengesteld voor pensioengerechtigden. Met de pensioenknip is het mogelijk eerst een tijdelijke pensioenuitkering aan te kopen en later een levenslange pensioenuitkering.

Veel pensioenproducten werken op basis van een pensioenkapitaal. Op de pensioendatum moet het pensioenkapitaal worden omgezet in een pensioenuitkering. Daartoe moet een nieuwe verzekering gesloten worden. De hoogte van de pensioenuitkering is afhankelijk van de verzekeringstarieven op de pensioendatum. De verzekeringstarieven zijn weer afhankelijk van de rente op de kapitaalmarkt. Is de rente laag, dan zal de uitkering ook laag zijn. Is de rente hoog, dan zal de uitkering hoger zijn.

De achtergrond van de pensioenknip is gelegen in de lage rekenrente bij de aankoop van een pensioenuitkering. Voor mensen die een pensioenkapitaal moeten omzetten in een pensioenuitkering, leidt die lage rekenrente tot een laag pensioen. Uitstellen van het aankoopmoment is vaak niet mogelijk waardoor mensen geconfronteerd worden met een teleurstellende pensioenuitkering.

Door de aankoop van de pensioenuitkering (deels) uit te stellen kan men inspelen op de verwachting dat de rekenrente stijgt. Daarnaast kan het resterende pensioenkapitaal langer worden belegd en kan er meer rendement worden behaald. Als de rekenrente op het tweede aankoopmoment hoger is, dan kan een hogere pensioenuitkering worden aangekocht, zo is de gedachte.

De oude pensioenknip heeft weinig voordeel gebracht voor de pensioengerechtigden. De rekenrente blijkt zich al langere tijd op een dieptepunt te bewegen en lijkt nog steeds te dalen. In plaats van een hogere uitkering, hebben de mensen die in het verleden hun pensioen hebben ‘geknipt’ vaak een lagere uitkering. Daarnaast was het onder de oude regeling niet mogelijk om de tweede uitkering bij een andere aanbieder onder te brengen. Men had niet de mogelijkheid te shoppen op het tweede aankoopmoment.

Voor de huidige regeling van de pensioenknip moet shoppen tussen de verschillende aanbieders wel mogelijk zijn. Staatssecretaris Jette Klijnsma schrijft in een brief aan de tweede kamer dat zij dit wil verankeren in wetgeving. Bron

Of het aantrekkelijk is de pensioenknip toe te passen hangt sterk af van uw persoonlijke situatie en toekomstverwachting. Zoals gezegd kan het positief uitpakken maar ook negatief. Het doorbeleggen van het pensioenvermogen lijkt aantrekkelijk maar u mag daar niet teveel van verwachten. Door de korte resterende looptijd van de beleggingen is het vaak niet verantwoord om risico te lopen in de beleggingen. Veelal komt men uit op beleggingen in obligatiefondsen. Een kenmerk van dergelijke fondsen is dat de waarde daarvan stijgt als de rente daalt en andersom.

De pensioenknip wordt toegepast indien men een stijgende rente verwacht. Dan kan immers een hogere pensioenuitkering worden gekocht voor het beschikbare kapitaal. Echter door te beleggen in obligaties wordt dit effect (deels) weer teniet gedaan. Bij een stijgende rente zal de waarde van de obligatiebelegging dalen.

De obligatiebelegging kent een vaste geldstroom die bestaat uit rente en aflossing op de einddatum. Als de marktrente stijgt, wordt die vaste geldstroom relatief minder aantrekkelijk ten opzichte van de markt en zal de waarde dus dalen. Bij langlopende obligaties is dit effect sterker dan bij kortlopende obligaties.

Daarnaast dient u bij de pensioenknip rekening te houden met extra (advies) kosten. In plaats van één aankoop moment met advieskosten zijn er bij de pensioenknip twee aankoopmomenten met advieskosten.

De gedachte van de pensioenknip is op zich goed echter, in het huidige economische klimaat is het zeer de vraag of daadwerkelijk voordeel behaald kan worden met de pensioenknip.