DIT IS MIJN WINST SOFTWARE B.V.

All posts in Nieuws voor de Zelfstandige Zonder Personeel

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt in hoger beroep dat de aangiften niet zijn beoordeeld voordat de aanslagen zijn opgelegd, zodat de inspecteur bij het vaststellen van de primitieve aanslagen geen onjuist inzicht had in de feiten of in het recht.

De heer X heeft in 2009 een onderneming geruisloos overgenomen. Desondanks schrijft X fiscaal over de aangekochte goodwill af en brengt deze afschrijving ten laste van zijn winst. De IB-aanslagen over 2009 tot en met 2011 zijn conform de aangiften opgelegd. Bij de aanslagregeling over 2011 was aan de behandelende medewerker van de belastingdienst bekend dat in 2009 en 2010 ten onrechte over goodwill was afgeschreven, doch deze aanslag is niet geblokkeerd. Deze aanslag heeft als dagtekening 8 februari 2013. Een week later wordt de navordering over 2009, 2010 en 2011 op grond van art. 16-2-c AWR aangekondigd. Volgens Rechtbank Noord-Nederland is de navordering terecht. X gaat in hoger beroep. Niet in geschil is dat de fout van de inspecteur om te lage IB-aanslagen op te leggen voor X kenbaar was.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de aangiften niet zijn beoordeeld voordat de aanslagen zijn opgelegd, zodat de inspecteur bij het vaststellen van de primitieve aanslagen geen onjuist inzicht had in de feiten of in het recht. X stelt vergeefs dat de inspecteur vanwege het doorschuivingsverzoek verplicht was onderzoek te doen alvorens de aanslagen vast te stellen. Aangezien de navordering kan plaatsvinden op de voet van art. 16-2-c AWR, kan in het midden blijven of sprake is van een nieuw feit of kwade trouw. Het beroep van X is ongegrond.

(Bron: Taxlive)

Volgens de Hoge Raad leidt de etikettering van het huurrecht als ondernemingsvermogen ertoe dat de huisvestingskosten volledig ten laste van de winst kunnen worden gebracht. Hiertegenover dient, vanwege het privégebruik van de woning, een bijtelling te worden toegevoegd.  (Let op: laat u goed informeren de regels omtrent de werkruimte zijn zeer specifiek) Een ondernemer in de bouw verrichtte nevenwerkzaamheden voor zijn onderneming vanuit zijn werkkamer in een gehuurde woning. Het ging hierbij om werkzaamheden als acquisitie, het plannen van werkzaamheden en het bijhouden van de administratie. De werkkamer vormde niet een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van een woning. De ondernemer had het volledige bedrag van de huisvestingskosten van € 9.835 voor aftrek in aanmerking genomen en € 2.700 als onttrekking voor privégebruik bijgeteld.

 

Bedrijfsmiddel?

Het hof was van mening dat het huurrecht geen bedrijfsmiddel vormde, waardoor niet werd toegekomen aan de vraag of het huurrecht verplicht ondernemingsvermogen, verplicht privévermogen of keuzevermogen was.  Het hof nam het standpunt in dat de kosten ter zake van de woning moesten worden aangemerkt als ondernemingskosten, voor zover deze verband hielden met de werkkamer. Artikel 3.16 Wet IB 2001 stond volgens het hof echter aan aftrek in de weg, aangezien de werkkamer naar verkeersopvatting niet een zelfstandig gedeelte van de woning vormde.

 

Ondernemingsvermogen

De Hoge Raad deelde deze mening niet. Volgens de Hoge Raad kon een huurrecht dat (mede) voor de ondernemingsuitoefening werd gebruikt, ondernemingsvermogen vormen. De etikettering van het huurrecht als ondernemingsvermogen had tot gevolg dat het gehele bedrag van de huur ten laste van de winst kon worden gebracht en dat daartegenover vanwege het privégebruik van de woning een volgens artikel 3.19, lid 1, Wet IB 2001 te bepalen bedrag aan de winst diende te worden toegevoegd. Deze bijtelling betrof mede de werkkamer.

 

Geen aftrekbeperking

De Hoge Raad ging tevens in op de bewoordingen van artikel 3.16, lid 1, Wet IB 2001. Gelet op artikel 3.19, lid 5, Wet IB 2001 diende volgende de Hoge Raad artikel 3.16, lid 1, Wet IB 2001 aldus te worden gelezen dat onder “een tot zijn ondernemingsvermogen behorende woning” mede moest worden begrepen een tot het ondernemingsvermogen behorend huurrecht van een woning. Aangezien in dit geval vaststond dat het huurrecht ondernemingsvermogen vormde, kwam de in artikel 3.16, lid 1, Wet IB 2001 neergelegde aftrekbeperking niet aan de orde. De wetgever had kennelijk de niet-aftrekbaarheid van de werkruimte willen bewerkstelligen door de huurwaarde daarvan – als onderdeel van de forfaitaire bijtelling van artikel 3.19 Wet IB 2001 – als een onttrekking in aanmerking te nemen.

(Bron: Taxence)

 

VENUE, Vereenvoudigde aangifte e-commerce, dat is de naam van het nieuwe systeem voor aangifte van e-commercegoederen. Hiermee kunnen belastingplichtigen binnenkort de aangifte ten invoer en ten uitvoer doen.

Tot nu toe kunnen belastingplichtigen voor e-commercegoederen alleen aangifte doen met AGS, het aangiftesysteem van de Douane. Binnenkort kan dat ook met de Vereenvoudigde aangifte e-commerce, VENUE. Dit meldt de Belastingdienst vandaag.

De Belastingdienst legt deze VENUE-mogelijkheid uit in de brochure VENUE: vereenvoudigde aangifte e-commerce.

VENUE mag alleen worden gebruikt bij invoer en uitvoer van e-commercegoederen. Dat zijn alle transacties die, zo stelt de Belastingdienst:

  • langs elektronische weg door tussenkomst van een computernetwerk (bijvoorbeeld het internet) tot stand komen en
  • fysieke goederenstromen tot gevolg hebben die aan douaneformaliteiten zijn onderworpen.

Een aanvraag voor een vergunning om aangiften ten invoer en /of aangiften ten uitvoer  te mogen doen met VENUE, kan worden gedaan door bijvoorbeeld importeurs, exporteurs, douane-expediteurs en logistieke dienstverleners. Hiervoor kan de Aanvraag Vergunning vereenvoudigde aangifte worden gedownload. In september organiseert de Douane een webinar over e-commerce. Daarnaast heeft de Douane een film over e-commerce via YouTube. gepubliceerd.

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Hof Amsterdam oordeelt na verwijzing door de Hoge Raad dat mevrouw X niet de vereiste btw-aangiften heeft gedaan zodat de bewijslast moet worden omgekeerd.

Mevrouw X exploiteert een juweliersbedrijf. In geschil is de naheffingsaanslag omzetbelasting over 2006 tot en met 2009, alsmede de 25% vergrijpboete. De aanslag is bij uitspraak op bezwaar van 7 januari 2013 verminderd naar € 42.991. Er is geen informatiebeschikking jegens X genomen. Volgens de inspecteur moet de bewijslast toch worden omgekeerd vanwege het door X niet nakomen van haar administratieve verplichtingen. Rechtbank Den Haag stelt de inspecteur in het gelijk. Volgens Hof Den Haag moet reeds vanwege het niet nakomen van de administratieve verplichtingen de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard. De Hoge Raad (9 oktober 2015, nr. 14/03969, V-N 2015/51.3 oordeelt echter dat voor elke vanaf 1 juli 2011 gedane uitspraak op bezwaar heeft te gelden dat de inspecteur zich slechts op omkering en verzwaring van de bewijslast kan beroepen als een informatiebeschikking onherroepelijk is geworden of als de vereiste aangifte niet is gedaan. Ook ten aanzien van de administratieve verplichtingen is de omkering en verzwaring van de bewijslast afhankelijk van een informatiebeschikking (zie HR 2 oktober 2015, nr. 14/02335, V-N 2015/50.4). Volgt verwijzing.

Hof Amsterdam oordeelt dat X niet de vereiste btw-aangiften heeft gedaan zodat de bewijslast moet worden omgekeerd. X moest per kwartaal aangifte doen. X heeft in 2006 één en in 2009 twee nihilaangiften ingediend. In 2007 en 2008 zijn enkel nihilaangiften ingediend. Met betrekking tot de tijdvakken waarin nihilaangiften zijn gedaan, voldoet de inspecteur aan de op hem rustende bewijslast omdat X in die aangiften geen enkele omzet, zelfs niet de door haar onbetwiste gepinde omzetten, heeft verantwoord. Met betrekking tot de resterende tijdvakken voldoet de inspecteur aan de op hem rustende bewijslast omdat in die aangiften alleen de gepinde omzet is verantwoord. De verschuldigde btw is – zowel in relatieve als in absolute zin – aanzienlijk meer dan de verschuldigde btw volgens de aangiften en X moet zich daarvan bewust zijn geweest. De schattingen van de inspecteur zijn voorts redelijk. De boete is ook terecht.

(Bron: Taxlive)

Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de inspecteur het bezwaarschrift van X ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. X was namelijk niet bekend met de grondslag van de naheffingsaanslag, omdat deze tijdens een nog lopend boekenonderzoek is opgelegd.

Tijdens een nog lopend boekenonderzoek legt de inspecteur, ter behoud van rechten, een btw-naheffingsaanslag op aan X. De inspecteur onderbouwt de naheffingsaanslag verder niet. X dient een pro forma bezwaarschrift in, en merkt op dat hij wil worden gehoord, en dat de naheffingsaanslag tijdens de hoorzitting gedetailleerd zal worden bestreden. De inspecteur verzoekt X om zijn bezwaar te motiveren, en verklaart vervolgens het bezwaar niet-ontvankelijk, omdat X zijn bezwaar niet heeft gemotiveerd. Tevens merkt de inspecteur op dat hij er van afziet om X uit te nodigen voor een hoorgesprek, omdat het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is.

Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de inspecteur het bezwaarschrift van X ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank overweegt daarbij dat de naheffingsaanslag is opgelegd tijdens een nog lopend boekenonderzoek, waarvan nog geen (concept)verslag was opgesteld. Aangezien X niet bekend was met de grondslag van de naheffingsaanslag, kan volgens de rechtbank aan de motivering van het bezwaarschrift geen verdere eis worden gesteld dan dat daaruit blijkt dat X zich niet met het vast te stellen bedrag kan verenigen. Verder merkt de rechtbank nog op dat X in zijn bezwaarschrift expliciet heeft verzocht om te worden gehoord, en dat het dan op de weg van de inspecteur ligt om X uit te nodigen voor een hoorgesprek om alle onduidelijkheden weg te nemen. De rechtbank verwijst de zaak terug naar de inspecteur.

(Bron: Taxlive)

Vanaf 2017 wordt de schenkingsvrijstelling voor de eigen woning verruimd. De verruiming is structureel en betreft: een verhoging van de vrijstelling naar € 100.000, het kunnen spreiden van de schenkingsvrijstelling over drie jaren en het vervallen van de eis dat de schenking moet plaatsvinden tussen ouder en kind.

De eis dat de ontvanger tussen de 18 en 40 jaar oud moet zijn blijft wel bestaan. De schenking moet gebruikt worden voor de eigen woning of een eigenwoningschuld. Is in het verleden al een beroep gedaan op de verhoogde schenkingsvrijstelling dan is de vrijstelling lager dan € 100.000 en soms zelfs nihil. Wilt u volledig gebruik maken van uw vrijstellingsmogelijkheden, dan is soms in 2016 al actie nodig!

Voorwaarden schenkingsvrijstelling

Om vanaf 2017 gebruik te kunnen maken van de schenkingsvrijstelling van € 100.000 moet sprake zijn van een schenking van:

  • een eigen woning,
  • een bedrag voor de verwerving van een eigen woning,
  • een bedrag voor de kosten van verbetering of onderhoud van een eigen woning,
  • een bedrag voor de afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot een eigen woning,
  • een bedrag voor de aflossing van een eigenwoningschuld, of
  • een bedrag voor de aflossing van een restschuld na vervreemding van een eigen woning.

Tip: In principe is de verruiming structureel. De ervaring van de laatste jaren heeft echter geleerd dat de vrijstelling regelmatig is herzien. Ondanks dat pas in 2020 een evaluatie is gepland, moet u dus niet verbaasd zijn, als de verruiming al eerder wordt herzien. Wacht daarom niet te lang als u gebruik wilt maken van de regeling.

Meerdere schenkingen?

De ontvanger van de schenking moet tussen de 18 en 40 jaar oud zijn. Er zijn geen voorwaarden gesteld aan de relatie tussen de schenker en de ontvanger. Een schenking van ouder aan kind kan onder de vrijstelling, maar deze familierelatie is vanaf 2017 geen voorwaarde meer. Elke willekeurige schenker kan vanaf die datum dan ook schenken aan elke willekeurige ontvanger. Een ontvanger kan daarom van meerdere schenkers een schenking ontvangen en hierbij ook meerdere keren gebruik maken van de schenkingsvrijstelling.

Tip: Is de ontvanger van de schenking al 40 jaar of ouder maar zijn partner nog niet? Dan kan toch een beroep worden gedaan op de schenkingsvrijstelling van € 100.000. Let wel op de verschillende regels die gelden voor het samenvoegen van schenkingen aan en van partners en ouders. Hierdoor kan een schenking onverwacht hoger worden dan € 100.000, waardoor een deel alsnog belast wordt. Overleg daarom altijd eerst met onze adviseurs voordat u een schenking doet.

Spreiding over drie achtereenvolgende kalenderjaren

Gebruikt u de vrijstelling van € 100.000 niet helemaal, dan kunt u straks in de twee daaropvolgende jaren alsnog een beroep doen op de resterende vrijstelling voor schenkingen van dezelfde schenker.

Let op! De ontvanger moet wel op het moment van elke schenking tussen de 18 en 40 jaar oud zijn.

Eerdere schenkingen verlagen of verhinderen de vrijstelling

Is vóór 2017 al een beroep gedaan op een verhoogde schenkingsvrijstelling voor een schenking van dezelfde schenker dan is het bedrag van de vrijstelling vanaf 2017 lager dan € 100.000. Het kan zelfs zijn dat dan helemaal geen gebruik meer kan worden gemaakt van de vrijstelling. De regels hieromtrent zijn complex en kunnen leiden tot onverwachte uitkomsten.

Let op! Overleg daarom met onze adviseurs over de vrijstelling die u nog kunt benutten als u al eerder gebruik hebt gemaakt van de verhoogde schenkingsvrijstelling.

Nu al in actie!

Heeft u al vóór het jaar 2010 gebruik gemaakt van de verhoogde schenkingsvrijstelling en heeft u nadien geen beroep meer gedaan op een aanvullende schenkingsvrijstelling? Dan moet in 2016 al actie worden ondernomen om te voorkomen dat een deel van de vrijstelling verloren gaat. Door in 2016 nog tot een bedrag van maximaal € 27.570 gebruik te maken van de verhoogde schenkingsvrijstelling, blijft in 2017 of 2018 recht bestaan op een vrijstelling van € 46.984, samen dus € 74.554. Is in 2015 of 2016 geen beroep gedaan op de verhoogde schenkingsvrijstelling dan bestaat vanaf 2017 nog slechts recht op een vrijstelling van € 27.517.

Tip: Voorkom dat uw vrijstelling misschien deels verloren gaat. Dit kan zich voordoen als u vóór het jaar 2010 al gebruik heeft gemaakt van de verhoogde schenkingsvrijstelling. Overleg hierover met onze adviseurs

De bedragen van de vrijstellingen kunnen worden aangepast aan de inflatie en daarom jaarlijks wijzigen.

(Bron: HLB)

Rechtbank Den Haag beslist dat de jaarlijkse kosten die X moet maken tot behoud van zijn vliegbrevet aftrekbaar zijn als scholingsuitgaven. De kosten van de medische keuring zijn niet aftrekbaar.

X is in het jaar 2011 afgestudeerd en is in het bezit van een vliegbrevet. In zijn aangifte ib/pvv 2013 claimt X een bedrag van € 2133 aan aftrek van studiekosten en andere scholingsuitgaven. Het betreft de kosten voor de medische keuring ten behoeve van het vliegbrevet, vlieginstructie en theorieles ten behoeve van het vliegbrevet en de vlieginstructie en profcheck. De inspecteur accepteert deze aftrekpost niet bij het opleggen van de definitieve aanslag ib/pvv. X gaat in beroep.

Rechtbank Den Haag overweegt dat de door X gemaakte kosten die hij jaarlijks moet maken voor het op peil houden van zijn vakkennis en vaardigheden met als doel zijn vliegbrevet te behouden en om hiermee een functie als piloot te kunnen verkrijgen, in beginsel onder de reikwijdte van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 (scholingsuitgaven) vallen. Volgens de rechtbank is € 2195 aan kosten die X heeft gemaakt voor de vlieginstructies, de theorieles en de profcheck aan te merken als scholingsuitgaven die zijn gedaan voor les- en examengeld. De rechtbank merkt op dat X nog geen baan heeft gevonden en deze kosten dus geen beroepskosten zijn. De kosten die X heeft gemaakt in verband met de medische keuring zijn niet aftrekbaar omdat dit geen kosten zijn voor een opleiding of studie. Het beroep is gegrond.

(Bron: Taxlive)

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de Belastingdienst aan het gesprek met de echtgenoot van belanghebbende X niet de conclusie heeft mogen verbinden dat X het bezwaar had ingetrokken.

Belanghebbende, X, maakt bezwaar tegen een aanslag IB/PVV 2013 van haar inmiddels overleden vader. Er vindt een telefoongesprek plaats tussen de echtgenoot van X en de inspecteur, waarna de Belastingdienst bij brief van 22 januari 2016 meedeelt dat naar aanleiding van het telefoongesprek met haar echtgenoot het bezwaar is ingetrokken. In beroep stelt X dat haar echtgenoot in het gesprek heeft geaccepteerd dat bezwaar maken geen zin had, maar dat zij en haar echtgenoot niet ervaren zijn op belastinggebied en zij overrompeld werden door de Belastingdienst.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat een bezwaarschrift niet telefonisch kan worden ingetrokken. Intrekking van een bezwaarschrift kan alleen mondeling geschieden als er sprake is van een hoorzitting (art. 6:21 lid 1 Awb). Nu het telefonisch onderhoud tussen de echtgenoot van X en de Belastingdienst geen hoorgesprek was, diende de intrekking schriftelijk te geschieden en dit is niet gebeurd. Verder was sowieso alleen X, als indiener van het bezwaar, bevoegd tot intrekking en niet haar echtgenoot. De rechtbank merkt de brief van de Belastingdienst van 22 januari 2016 aan als een schriftelijke weigering als bedoeld in art. 6:2 onder a van de Awb waartegen beroep kan worden ingesteld. Het beroep van X tegen die schriftelijke weigering is kennelijk gegrond. De Belastingdienst zal alsnog moeten beslissen op het bezwaar van X.

(Bron: Taxlive)

X richtte in 2006 een uitgeverij op, die een serie boeken uitbracht. Tot en met 2014 waren er geen positieve resultaten. Na een controle deelde de inspecteur X mee dat hij de uitgeefactiviteiten vanaf 2012 niet langer als bron van inkomen zou beschouwen. Toen X in zijn aangifte IB 2012 toch weer een verlies uit onderneming opnam, corrigeerde de inspecteur dit verlies. X ging in beroep en stelde dat met een vernieuwde aanpak van de promotie het laatste boek uit de serie in 2017 mogelijk zou leiden tot een verkoopsucces. Rechtbank Den Haag verwees voor de beoordeling van de objectieve voordeelsverwachting naar arresten van de Hoge Raad van 14 oktober 2005 en 24 juni 2011. Aangezien X sinds de start van de activiteiten daarmee in geen enkel jaar een positief resultaat had behaald, bracht een redelijke verdeling van de bewijslast volgens de Rechtbank mee dat X aannemelijk moest maken dat sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. Vervolgens besliste de Rechtbank dat X daar niet in was geslaagd. Hij had tot en met 2014 nauwelijks omzet behaald maar wel aanzienlijke kosten gemaakt. Van eerdere delen van de serie boeken was steeds slechts een (zeer) beperkt aantal exemplaren verkocht. Het door X gestelde maatschappelijk belang van de activiteiten was volgens de Rechtbank geen criterium waaraan in dit verband betekenis toekwam. De uitgeefactiviteiten van X vormden geen bron van inkomen, zodat de inspecteur het negatieve resultaat daaruit terecht niet in aanmerking had genomen. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.

(Bron: FUTD)

Rechtbank Gelderland oordeelt dat een boete van 25% van de nageheven omzetbelasting over 2011 op zijn plaats is in verband met ten onrechte in vooraftrek gebrachte omzetbelasting.

Aan belanghebbende, X bv, zijn naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd over de jaren 2011 en 2012 met boeten. In de bezwaarfase besluit de inspecteur de naheffingsaanslag en boete over 2012 te verminderen naar nihil. De reden voor de vermindering is dat de inspecteur had besloten het standpunt van X bv te volgen dat er sprake is van een algemeenheid van goederen. In geschil is de boete 2011 en de vraag of X bv voor 2012 in aanmerking komt voor een integrale bezwaarkostenvergoeding.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat een boete van 25% van de nageheven omzetbelasting over 2011 op zijn plaats is in verband met ten onrechte in vooraftrek gebrachte omzetbelasting. Omdat X bv alleen vrijgestelde prestaties verrichtte, heeft zij door toch vooraftrek te claimen, dermate lichtvaardig gehandeld dat haar grove schuld kan worden verweten. Ambtshalve constateert de rechtbank dat de redelijke termijn is overschreden. Vanwege de hoogte van de boete laat de rechtbank het bij deze constatering. Voor het jaar 2012 heeft X bv geen recht op een integrale vergoeding van de bezwaarkosten. Hoewel de inspecteur had moeten onderkennen dat er sprake was van een algemeenheid van goederen, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet ernstig onzorgvuldig gehandeld. Het beroep van X bv is ongegrond.

(Bron: Taxlive)