DIT IS MIJN WINST SOFTWARE B.V.

All posts in Nieuws voor de Zelfstandige Zonder Personeel

Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur terecht een naheffingsaanslag heeft opgelegd, wegens het ontbreken van de administratie. X moet het door haar geclaimde recht op aftrek van voorbelasting namelijk staven met facturen.

Y, de dochter van belanghebbende, X, verzorgt de administratie van X. In 2013 stelt de inspecteur een boekenonderzoek in. Naar aanleiding van het boekenonderzoek legt de inspecteur een btw-naheffingsaanslag op aan X, omdat X geen facturen kan overleggen. X stelt dat Y enkele malen is verhuisd en dat de administratie daarbij in het ongerede is geraakt. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X het risico heeft genomen dat de administratie in het geval van verhuizing kwijt zou raken. Dit risico dient volgens de rechtbank voor haar rekening en risico te blijven. Het gelijk is aan de inspecteur.

Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur terecht een naheffingsaanslag heeft opgelegd. Volgens het hof moet X het door haar geclaimde recht op aftrek van voorbelasting staven met facturen. Dat de administratie is zoekgeraakt door de verhuizingen van Y tussen diverse ggz-instellingen, ontslaat X niet van deze verplichting, volgens het hof. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

(Bron: Taxlive)

X was enig erfgenaam van de in december 1998 overleden Y. Tot de nalatenschap behoorden onder meer een tegoed op een bankrekening en effecten in Zwitserland. X deed in augustus 1999 aangifte successierecht, maar vermeldde het Zwitserse vermogen niet in de aangifte. In februari 2014 gaf X in het kader van de IB het niet-aangegeven vermogen alsnog aan door middel van een vrijwillige verbetering. De inspecteur legde op 21 juli 2014 een navorderingsaanslag successierecht op. X ging in beroep en stelde dat navordering niet meer mogelijk was, omdat bij de inwerkingtreding van de onbeperkte navorderingsbevoegdheid op 1 januari 2012 de voorheen geldende navorderingstermijn van twaalf jaar al was verstreken. Rechtbank Gelderland stelde X in het gelijk, waarop de inspecteur in hoger beroep ging. Hof Arnhem-Leeuwarden was het met de Rechtbank eens dat uit de tekst van artikel 66, lid 3, SW niet volgde dat onbeperkte terugwerkende kracht toekwam aan die bepaling, in die zin dat de onbeperkte navorderingsbevoegdheid ook gold voor nalatenschappen waarvoor de bevoegdheid tot navordering op 1 januari 2012 al was vervallen. Het Hof leidde dit ook af uit de toelichting op het amendement waarbij de onbeperkte navorderingsbevoegdheid was ingevoerd. Een herleving van de navorderingsbevoegdheid greep volgens het Hof zo in op het wettelijk systeem, dat de wetgever expliciet terugwerkende kracht aan artikel 66, lid 3, SW had moeten verlenen om dit doel te bereiken. Aangezien dat niet was gebeurd, kon volgens het Hof niet worden geconcludeerd dat de navorderingsbevoegdheid was herleefd. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.

(Bron: FUTD)

De Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie (hierna: “de Wet DBA”) heeft al veel pennen in beweging gezet. Met de komst van deze wet op 1 mei jl. is de welbekende VAR-verklaring afgeschaft. In de plaats daarvan komt:

  • een modelovereenkomst; of
  • een aan de Belastingdienst voorgelegde individuele overeenkomst.

Ik zal in deze blog niet de wet herkauwen. Wel deel ik graag met u een aantal praktische tips & tricks gebaseerd op de vele overeenkomsten die wij de afgelopen tijd hebben beoordeeld en het contact dat wij hierover hebben gehad met de Belastingdienst. Waarom? Omdat als u op enig moment een opdracht geeft of heeft gegeven aan een zzp’er, deze wetswijziging van belang is voor uw onderneming.

Transitieperiode tot 1 mei 2017

Werkgevers hebben tot 1 mei 2017 de tijd om het systeem van de modelovereenkomsten of een door de Belastingdienst geaccordeerde individuele overeenkomst in te voeren. Als u na deze periode niet  op deze wijze werkt, riskeert u een naheffing voor loonbelasting en premies werknemersverzekeringen en mogelijk zelfs een boete.

Tips & tricks
  1. Bedenk of u een “standaard” overeenkomst (de zgn. modelovereenkomst) wilt gebruiken of een op uw situatie toegespitste overeenkomst.
  2. Kiest u voor een modelovereenkomst, dan is een aantal bepalingen uit de modelovereenkomst cruciaal. De Belastingdienst noemt ze de “geel gemarkeerde delen”. Deze bepalingen moeten in de overeenkomst worden overeengekomen.
  3. Kiest u voor een modelovereenkomst, neem dan altijd een verwijzing op naar de modelovereenkomst zoals weergegeven op de website van de Belastingdienst.
  4. Eventuele algemene voorwaarden mogen niet in strijd zijn met de geel gemarkeerde delen van de modelovereenkomst.
  5. Zowel in een individuele overeenkomst als in een modelovereenkomst moeten arbeidsrechtelijke elementen worden vermeden, om een zogenoemd verkapt dienstverband te voorkomen. Denk hierbij aan een concurrentiebeding, loondoorbetaling tijdens ziekte en instructies aan de opdrachtnemer (zzp’er).
  6. Neem in de overeenkomst (model of individueel) een vrijwaring op ten aanzien van de opdrachtnemer (zzp’er) ten opzichte van de opdrachtgever.
  7. We merken dat de doorlooptijd van de beoordeling van een individuele overeenkomst langer is dan 6 weken. Wilt u snel zekerheid? Kies dan voor een modelovereenkomst.
  8. Laat de opdrachtnemer (zzp’er) een factuur exclusief BTW opstellen.
  9. Maak afspraken over de termijn waarbinnen de overeenkomst (model of individueel) mag worden opgezegd.
  10.  Spreek af wat u gaat doen, en kom deze afspraken na. Want als de feitelijke situatie anders is dan de gemaakte afspraken loopt u nog steeds het risico op naheffing voor loonbelasting en premies werknemersverzekeringen.
  11. De Belastingdienst zal de komende tijd steeds meer modelovereenkomsten online zetten. Houd dus de website van de Belastingdienst in de gaten. Dit doen wij ook!

(Bron: DVAN)

X kocht een appartement in een rijksmonument. De oude, beschadigde parketvloer verving zij door een nieuwe parketvloer met daaronder isolatie. In haar aangifte IB 2011 vermeldde zij, vóór toepassing van de aftrekdrempel, € 73.182 aan kosten voor rijksmonumentenpanden. Daarvan had € 10.000 betrekking op de aanleg van de parketvloer (exclusief isolatie). De inspecteur weigerde de aftrek van de kosten van de parketvloer omdat volgens hem met het leggen van de parketvloer geen sprake was van het in oorspronkelijke staat terugbrengen van de vloer van het appartement. Daarnaast was volgens hem sprake van inrichtingsuitgaven die kwalificeerden als niet-aftrekbare huurderslasten. Rechtbank Den Haag was het echter met X eens dat sprake was van ernstig achterstallig onderhoud en vond het aannemelijk dat het vervangen van de parketvloer nodig was om het appartement in bruikbare staat te herstellen. De inspecteur ging in hoger beroep. Hof Den Haag besliste dat de kosten van het leggen van een vloerbedekking, van welke aard dan ook, moesten worden gerekend tot de kosten die in huurverhoudingen door de huurder pleegden te worden gedragen, tenzij sprake was bijzondere omstandigheden. De door X gestelde omstandigheid dat de parketvloer, nadat deze was gelegd, een bestanddeel van de woning was omdat deze daarvan niet kon worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan de vloer werd aangebracht, was volgens het Hof geen bijzondere omstandigheid. Hetzelfde gold immers voor andere zaken, zoals behang, die aan of in de woning werden aangebracht en waarvoor buiten twijfel stond dat de met het aanbrengen daarvan gemoeide kosten behoorden tot de huurderlasten. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur gegrond.

(Bron: FUTD)

Autoverzekeraars negeren massaal de nieuwe regels die gelden voor schadevrije jaren. Dit blijkt uit onderzoek van MoneyView. Bij 55% van de verzekeraars is zelfs niets terug te vinden in de polisvoorwaarde over de nieuwe regeling.

Met de invoering van de vernieuwde Bedrijfsregeling nr. 11 per 1 januari van dit jaar beoogt het Verbond van Verzekeraars een branchebrede uniformering van omgaan met schadevrije jaren tot stand te brengen. Op die manier kan de consument makkelijker terugvinden over hoeveel schadevrije jaren hij beschikt, wat de gevolgen zijn voor zijn bonus/maluspositie én wordt transparanter wat het gevolg is voor de premie als er een schuldschade veroorzaakt wordt.

MoneyView onderzocht in hoeverre verzekeraars deze regeling ook daadwerkelijk doorgevoerd hebben in hun polisvoorwaarden en wat de gevolgen zijn voor de polishouder. Bij slechts 45% van de verzekeraars is de nieuwe regeling terug te vinden in de verzekeringsvoorwaarden. 20% van de verzekeraars heeft de regeling zowel doorgevoerd voor de opbouw en terugval van schadevrije jaren als in de bonus-malusladder, 25% heeft de regeling slechts deels doorgevoerd. Bij 55% van de verzekeraars is in de voorwaarden niet terug te vinden of, en zo ja welke, aanpassingen er naar aanleiding van Bedrijfsregeling nr. 11 zijn doorgevoerd.

Omdat slechts een beperkt aantal verzekeraars iets met de nieuwe regeling heeft gedaan, is er nog geen marktbreed effect op de premie te bespeuren. Voor de beperkte groep verzekeraars die de Bedrijfsregeling nr. 11 volledig hebben doorgevoerd, is de conclusie van MoneyView dat een schuldschade gemiddeld genomen een lagere premiestijging tot gevolg heeft dan voorheen het geval was.

(Bron: AMWEB)

De Belastingdienst zal er tot 1 mei 2017 alleen op wijzen dat sprake is van een dienstbetrekking en daarvoor geen aanslagen loonheffingen opleggen, tenzij er wordt voldaan aan de drie situaties genoemd in het transitieplan DBA.

Dat schrijft staatssecretaris Eric Wiebes in zijn antwoorden op Kamervragen over het bericht “Zzp’er verwacht schade door nieuwe wetgeving”.

De drie uitzonderingssituaties uit het transitieplan zijn:

  1. De opdrachtgever en opdrachtnemer werkten voorafgaand aan 1 april 2016 met een VAR-wuo of VAR-dga op basis waarvan de opdrachtgever vrijwaring had voor de loonheffingen, terwijl er feitelijk sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. De opdrachtgever en opdrachtnemer ondernemen geen enkele activiteit en doen geen enkele inspanning om de arbeidsrelatie zodanig vorm te geven dat er buiten dienstbetrekking wordt gewerkt. Zij kunnen niet aannemelijk maken dat zij nog met elkaar in onderhandeling zijn over aanpassingen in hun overeenkomst of werkwijze teneinde buiten dienstbetrekking te werken. Zij maken ook geen gebruik van een door de Belastingdienst beoordeelde (model- of voorbeeld-) overeenkomst of hebben een daarmee overeenkomende overeenkomst afgesloten. De opdrachtgever en opdrachtnemer kiezen er tegelijkertijd niet voor om loonheffingen af te dragen of te voldoen.
  2. De Belastingdienst heeft in de periode voor 1 februari 2016 al schriftelijk kenbaar gemaakt dat de bij onderzoek aangetroffen arbeidsrelaties te duiden zijn als een (fictieve) dienstbetrekking. Dat er geen gevolg aan die conclusie kon worden verbonden ligt aan de vrijwarende werking van de VAR. De Belastingdienst stelt na 1 april 2016 vast dat de feiten en omstandigheden niet afwijken van die waarover eerder schriftelijk kenbaar is gemaakt dat er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking en dat er geen loonheffingen worden afgedragen of voldaan. Tegelijkertijd kunnen opdrachtgever en opdrachtnemer niet aannemelijk maken dat zij inspanningen hebben verricht om hun werkwijze te veranderen zodat er buiten dienstbetrekking wordt gewerkt.
  3. Er is sprake van grove schuld of opzet die worden bestreken door de bestaande beleidsregels, zoals die zijn vervat in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Het is de inspecteur die grove schuld en opzet stelt en – bij betwisting – dient te bewijzen. Voor een eventuele strafrechtelijke handhaving blijft het bestaande beleidskader zoals verwoord in het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen, uiteraard ook van toepassing.

Vanaf 1 mei 2017

Op 1 mei 2017 is de implementatiefase afgerond. Opdrachtgevers en opdrachtnemers hebben dan een jaar de tijd gehad om zo nodig hun werkwijze aan te passen. Vanaf 1 mei 2017 moet er ofwel buiten dienstbetrekking wordt gewerkt, ofwel loonheffingen worden afgedragen en voldaan. Bij partijen die niet volgens de regels werken, zal worden gehandhaafd. Dit betekent dat de Belastingdienst een correctieverplichting of een naheffingsaanslag loonheffingen zal opleggen als er sprake is van een dienstbetrekking en er geen loonheffingen worden afgedragen en voldaan. Bij het opleggen van een naheffingsaanslag kan de Belastingdienst een boete opleggen. Als de dienstbetrekking al in de implementatietermijn bestond, zal de Belastingdienst over de periode van 1 mei 2016 tot 1 mei 2017 niet corrigeren voor zover geen van de drie uitzonderingssituaties uit het transitieplan zich in die periode heeft voorgedaan.

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigt de aan X opgelegde navorderingsaanslag ib/pvv omdat sprake is van een beoordelingsfout van de inspecteur.

Bij het vaststellen van de aanslag ib/pvv 2010 wijkt de inspecteur af van de door X ingediende aangifte. Hij constateert namelijk dat X geen recht heeft op de zelfstandigen- en startersaftrek. De in de aangifte geclaimde inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: ick) wordt niet gecorrigeerd. Nadat in het jaar 2014 blijkt dat de ick niet automatisch is aangepast na de correctie van de zelfstandigen- en startersaftrek, legt de inspecteur de in geschil zijnde navorderingsaanslag ib/pvv 2010 op. X heeft volgens de inspecteur door een automatiseringsfout ten onrechte de ick ontvangen. X komt in beroep. In geschil is of de inspecteur mag navorderen. Niet in geschil is dat geen sprake is van een nieuw feit en evenmin van kwade trouw. Evenmin is in geschil dat X niet in aanmerking komt voor de ick.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant beslist dat sprake is van een beoordelingsfout, die aan navordering in de weg staat. De inspecteur had bij de vaststelling van de aanslag ib/pvv 2010 kunnen zien dat X na de correctie van de zelfstandigenaftrek geen recht op de ick had. Door de ick niet te corrigeren is sprake van onjuist inzicht van de inspecteur in het recht en heeft de inspecteur dus een beoordelingsfout gemaakt. De inspecteur had de ick handmatig kunnen corrigeren. De rechtbank onderkent dat als het aanslagprogramma wel goed had gewerkt, dat programma de ick had gecorrigeerd en de fout was voorkomen. Dit doet er echter niet aan af dat er ook sprake is van een beoordelingsfout. Navordering is niet mogelijk. Het beroep is gegrond. De navorderingsaanslag wordt vernietigd.

(Bron: Taxlive)

Een ik-opa-testament wordt over het algemeen vormgegeven door middel van een lastbevoordeling (het klassieke ik-opa-testament) of door middel van een ‘uitgesteld’ legaat. De wijze waarop dit wordt vormgegeven kan grote fiscale gevolgen hebben.

Een ik-opa-clausule houdt simpel gezegd in dat de grootouder zijn kinderen tot erfgenamen benoemt onder de last een bedrag onvoorwaardelijk schuldig te erkennen aan zijn kleinkinderen.

 

Klassieke ik-opa-testament

Bij het klassieke ik-opa-testament kan men onder omstandigheden te maken krijgen met de fictiebepaling van artikel 10, lid 1 van de Successiewet 1956. Zie in dit kader het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2009 en de brief van 13 oktober 2009 van de staatssecretaris van Financiën. En omdat artikel 7 van de SW niet voorziet in een aftrek van eerder betaalde erfbelasting, leidt de toepassing van artikel 10 lid 1 SW tot dubbele belasting. Dit is uiteraard niet het geval wanneer slechts de vrijstelling is gelegateerd.

 

Uitgesteld legaat

Het alternatieve uitgesteld legaat is vergelijkbaar met het klassieke ik-opa-last. Dat is ook de reden waarom artikel 10 lid 9 SW is ingevoerd. In lid 9 is opgenomen dat lid 1 van artikel 10 ook van toepassing is als tot het vermogen van de erflater een of meer als gevolg van een uiterste wil ontstane schulden behoren. Maar alleen voor zover de nominale waarde van die schuld meer bedraagt dan de waarde van wat de ouders volgens erfrecht hebben verkregen van degene die de uiterste wil heeft opgemaakt, zonder rekening te houden met de schulden aan de kinderen.

 

Fiscale behandeling

De grondslag bij een fictieve verkrijging is op grond van lid 1 of lid 9 dus verschillend. Bij lid 1 vindt de belastingheffing plaats over de gehele ik-opa-vordering, terwijl bij lid 9 wordt geheven over dat deel van de ik-opa-vordering dat meer bedraagt dan het kind zelf uit de nalatenschap van grootouder heeft verkregen. Tamara Peters van Neijenhof stelt terecht in het Vakblad Estate Planning dat er een verschil is in de heffing voor twee economisch vergelijkbare situaties. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft wellicht kans van slagen. Dit is helaas niet gebeurd in de zaak van 3 juni 2014 bij Rechtbank Den Haag.

(Bron: Taxence)

De Belastingdienst heeft modelovereenkomsten op haar site geplaatst voor de situatie waarin de opdrachtgever zeker wil weten dat hij geen loonheffingen hoeft in te houden en af te dragen. De voorbeeldovereenkomsten van de Belastingdienst zeggen niets over de aanwezigheid van btw-ondernemerschap en of er een vrijstelling kan worden toegepast.

De modelovereenkomsten zijn geen werkgeversgezag; meestal is sprake van opdrachtverstrekking. De opdrachtnemer stuurt een factuur waarbij hij/zij per tijdseenheid of afgerond project wordt betaald. In deze situatie zal al gauw sprake zijn van btw-ondernemerschap, maar dit moet per geval afzonderlijk worden beoordeeld.

Btw-vrijstelling

Bij een aantal overeenkomsten is een btw-vrijstelling van toepassing, bijvoorbeeld omdat er medische prestaties worden verricht waarbij een BIG-registratie vereist is. Bij toepassing van de voorbeeldovereenkomst voor muziekonderwijzer, is de leeftijd van de leerling van belang voor vaststelling van de btw-heffing. Is de leerling jonger dan 21 jaar, dan is er een vrijstelling voor de btw. Is de leerling ouder dan 21 jaar, dan is er 21% btw over de muzieklessen verschuldigd. Bij toepassing van de overeenkomsten dient per geval beoordeeld te worden of er sprake is van btw-ondernemerschap. Dit is afhankelijk van de feitelijke situatie. Over het algemeen zal snel sprake zijn van btw-ondernemerschap, maar kunnen specifieke vrijstellingen van toepassing zijn waardoor er geen btw hoeft te worden vermeld op de factuur.

(Bron: HLB)

De inspecteur week bij de vaststelling van de aanslag IB 2010 van X in juli 2013 af van de aangifte. Hij weigerde de zelfstandigen- en startersaftrek. De geclaimde inkomensafhankelijke combinatiekorting (ICK) werd niet gecorrigeerd. Nadat in 2014 was gebleken dat de ICK niet automatisch was aangepast na de correctie van de zelfstandigenaftrek, legde de inspecteur een navorderingsaanslag op. X had volgens de inspecteur door een automatiseringsfout ten onrechte de ICK ontvangen. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste echter dat sprake was van een beoordelingsfout, die in de weg stond aan navordering. De inspecteur had bij de vaststelling van de aanslag kunnen zien dat X na de correctie van de zelfstandigenaftrek geen recht had op de ICK. Door desondanks niet te corrigeren, was volgens de Rechtbank sprake van onjuist inzicht van de inspecteur in het recht en had de inspecteur dus een beoordelingsfout gemaakt. De inspecteur had de ICK handmatig kunnen corrigeren. De Rechtbank onderkende dat de ICK wel zou zijn gecorrigeerd en de fout dus zou zijn voorkomen, als het aanslagprogramma goed had gewerkt. Dat deed er volgens de Rechtbank echter niet aan af dat ook sprake was van een beoordelingsfout. Navordering was dan niet mogelijk op grond van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR. De Rechtbank vernietigde de navorderingsaanslag.