DIT IS MIJN WINST SOFTWARE B.V.

All posts in Nieuws voor de Zelfstandige Zonder Personeel

Wat zijn bij een buitenlandse erfenis voor u de gevolgen van het nieuw Europese erfrecht, de EU erfrechtverordening, dat vanaf 17 augustus 2015 ingaat? Wat regelt deze Europese Erfrechtverordening voor de afhandeling van een buitenlandse erfenis? In welk land betaalt u daardoor erfbelasting en wat is de rol van een Nederlandse notaris? Misschien gaat het om een erfenis uit het buitenland of woont u in Nederland maar hebt u of uw partner niet de Nederlandse nationaliteit. Onderstaand de opmerkelijkste veranderingen door de harmonisatie van het nieuwe internationaal erfrecht in Europa en de mogelijkheid van een Europese verklaring van erfrecht.

Het Europese erfrecht en successie

Het zal u niet verbazen, maar elk land in Europa heeft zijn eigen erfrecht. Ook de erfbelasting is vaak weer anders geregeld, met verschillende vrijstellingen, tarieven en uitsluitingen. Dat hoeft niet verkeerd te zijn, maar is wel erg lastig als u bijvoorbeeld van uw ouders erft die in het buitenland wonen of daar een woning of ander vermogen hebben. Immers dan hebt u te maken met Nederlandse regels en wetten en de regels uit het buitenland. Probeer dat allemaal maar eens soepel vanuit Nederland te regelen. Tot 17 augustus 2015 is dit vrijwel onmogelijk, vanaf 17 augustus 2015 moet dit simpeler worden.

Nieuw Europees erfrecht en de Europese Erfrechtverordening

Vanaf 17 augustus 2015 geldt in Europa, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken, de Europese Erfrecht Verordening. Deze verordening regelt volgens welk recht de verdeling van een erfenis en nalatenschap plaatsvindt. De regeling telt telt voor elke erfenis vanaf 17 augustus 2015 voor zover er niet eerder een testament is opgesteld die nog niet is herroepen en waarin een afwijkende rechtskeuze is gemaakt.

Regels Haags Erfrechtverdrag

Tot 17 augustus 2015 regelt het Haags Erfrechtverdrag dat als u als Nederlander in het buitenland woont en niet de nationaliteit van uw woonland hebt, welk recht op uw erfenis van toepassing is. Immers:

  • De Nederlandse regels van successie zijn van toepassing als de erflater op het moment van overlijden minder dan vijf jaar in het land woonde.
  • Het buitenlands erfrecht geldt als de erflater langer dan vijf jaar in het buitenland woonde.

Hiervan kunt u met een testament afwijken door zelf te kiezen voor het Nederlandse recht dan wel het recht van het land waar u woont. Als u voor land A kiest, verhuist naar land B en uw testament niet herroept, dan blijft het erfrecht uit land A gelden.

Het nieuwe internationale Europese erfrecht

Met de nieuwe Europese Erfrechtverordening wordt de keuze voor het erfrecht dat van toepassing is beperkt en kunt u dus minder zelf regelen. Het erfrecht van het woonland telt en hiervan kan alleen worden afgeweken als u na 17 augustus 2015 voor het land van uw nationaliteit kiest, of voor 17 augustus 2015 nog voor een andere mogelijkheid hebt gekozen. Als u na 17 augustus een eerder testament wilt herroepen is het de vraag of dat verstandig is, omdat dan de nieuwe regelgeving telt en uw keuze voor het land van erfrecht daarmee wordt ingeperkt.

De Nederlandse notaris regelt alles voor u

Door deze vorm van Europese harmonisatie wordt het internationaal mogelijk om een erfenis, ook als daarin buitenlandse bestanddelen zitten, volledig via een Nederlandse notaris af te wikkelen. De notaris kan ook een Europese Verklaring van Erfrecht afgeven die in geheel Europa, met uitzondering van Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken, geldig is. Voor het aanvaarden van een erfenis hoeft u als erfgenaam in Nederland niet meer naar een buitenlandse notaris, maar zou alles via een Nederlandse notaris moeten kunnen gaan.

De fiscale gevolgen van de de Europese Erfrechtverordening, EEV

Het bijzondere is dat de nieuwe regelgeving fiscaal niets regelt. De EEV regelt Europees beter wie er van u erft, maar als een buitenland ook belasting op vermogen in het buitenland hebt en zo mogelijk een erfbelasting, wordt dat met de nieuwe Europese regelgeving niet anders. Europa is nog niet zover dat ook een fiscale harmonisatie van tarieven plaatsvindt. Daarmee wordt het afwikkelen van een buitenlandse erfenis wel eenvoudiger, maar kunnen er ook bij nalatenschappen die na 17 augustus 2015 openvallen nog steeds vele fiscale strubbelingen ontstaan.

(Bron: Financieelinfo.nu)

Rechtbank Den Haag oordeelt dat op grond van art. 3.156 lid 1 Wet IB 2001 voor het afgeven van één VAR voor alle activiteiten vereist is dat sprake is van hetzelfde soort werkzaamheden. 

Belanghebbende, X, verricht hovenierswerkzaamheden en doet loonwerk bij agrariërs. Voor zijn hovenierswerkzaamheden is door de Belastingdienst een VAR-WUO en voor het loonwerk bij agrariërs een VAR-Loon afgegeven. X stelt dat geen splitsing gemaakt had mogen worden tussen de twee soorten werkzaamheden omdat sprake is van één enkele onderneming.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat op grond van art. 3.156 lid 1 Wet IB 2001 voor het afgeven van één VAR voor alle activiteiten vereist is dat sprake is van hetzelfde soort werkzaamheden. Daarbij komt dat X niet aannemelijk heeft gemaakt dat met betrekking tot het loonwerk bij agrariërs sprake is van ondernemerschap nu niet is gebleken dat hij ten behoeve van deze werkzaamheden heeft geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen en evenmin dat hij enig betalings- of ander ondernemingsrisico loopt. De inspecteur heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gezagsverhouding zodat geen VAR-Loon, maar een VAR-ROW had moeten worden afgegeven. Het beroep van X is deels gegrond.

(Bron: Taxlive)

In het Belastingplan 2016 zijn onder meer maatregelen opgenomen die voortvloeien uit de gesprekken die in het kader van het zogenoemde vijfmiljardpakket zijn gevoerd. Wij ontlenen aan het Belastingplan 2016 het volgende:

  1. Het tarief in de eerste schijf wordt verhoogd tot 36,55%.
  2. Het tarief in de tweede en derde schijf wordt met 1,85%-punt verlaagd naar 40,15%.
  3. De vierde schijf begint bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan € 66.421.
  4. De afbouw van de algemene heffingskorting wordt verhoogd met 2,476 procentpunt tot 4,796%. Ook wordt de algemene heffingskorting volledig afgebouwd.
  5. Het maximumbedrag van de arbeidskorting wordt met € 638 extra verhoogd. Het startpunt van de afbouw met 4% van het arbeidsinkomen wordt met € 15.950 verlaagd.
  6. De opbouw van de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt verhoogd naar 6,159%. Het maximumbedrag van de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt verhoogd met € 606.
  7. De ouderenkorting wordt per saldo verhoogd tot € 1.187.
  8. De vermogensrendementsheffing in box III wordt met ingang van 1 januari 2017 herzien. Het forfaitaire rendement wordt gebaseerd op de gemiddelde verdeling van het box III-vermogen over spaargeld en beleggingen in combinatie met een in het verleden in de markt gerealiseerd rendement op beide componenten. Het vermogen van elke belastingplichtige wordt verdeeld over maximaal drie schijven, namelijk: € 0 tot € 100.000, € 100.000 tot € 1 mln en meer dan € 1 mln. Het heffingvrije vermogen wordt per 2017 verhoogd naar € 25.000 per persoon.
  9. Om het emigratielek bij a.b.-houders te bestrijden, leiden winstuitdelingen na emigratie voortaan in alle gevallen tot belastingheffing of tot een (naar rato) intrekking van het uitstel van betaling. Ook wordt de conserverende belastingaanslag niet meer louter als gevolg van tijdsverloop na tien jaar kwijtgescholden. De maatregel heeft terugwerkende kracht tot en met 15 september 2015, 15.15 uur.
  10. Door een integratie van de S&O-afdrachtvermindering en de RDA bestaat de S&O-afdrachtvermindering uit een grondslag voor alle S&O-kosten. Er gelden twee schijven met percentages van 32% en 16%. De grens tussen de eerste en de tweede schijf ligt bij € 350.000. Daarnaast zal er een verhoogd starterspercentage van de eerste schijf blijven bestaan van 40. Tot slot vervalt het huidige plafond in de S&O-afdrachtvermindering.
  11. De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt vereenvoudigd.
  12. De eenmalig verhoogde vrijstelling in de schenkbelasting voor schenkingen van ouders aan kinderen tussen 18 en 40 jaar voor schenkingen die verband houden met de eigen woning wordt met ingang van 2017 verruimd tot € 100.000. Ook vervalt de beperking dat de schenking moet zijn gedaan van een ouder aan een kind, waardoor ook buiten de gezinssituatie kan worden gebruikgemaakt van de vrijstelling.
  13. Twee personen die zijn gehuisvest in een opvanghuis met een kind van een van beiden, worden gedurende dat verblijf niet als partners aangemerkt.
  14. Verplichtingen aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn die rechtstreeks uit het familierecht voortvloeien, worden met ingang van 1 januari 2017 uitgezonderd van de in box III in aanmerking te nemen verplichtingen. Vergelijkbare verplichtingen tot het doen van periodieke uitkeringen en verstrekkingen waarvan het recht ook is uitgezonderd van box III, worden ook uitgesloten van box III.
  15. In de praktijk wordt als financieringsstructuur of voor de vervreemding van beleggingsvastgoed steeds vaker gebruikgemaakt van de zogenoemde erfpachtlease in plaats van een sale-en-lease-back om heffing van overdrachtsbelasting te voorkomen. Deze economisch vergelijkbare gevallen worden voortaan gelijk behandeld door niet meer toe te staan dat de heffingsgrondslag waarover in geval van verkoop met gelijktijdige vestiging van een erfdienstbaarheid, een recht van erfpacht of een recht van opstal, kan worden verminderd met de gekapitaliseerde waarde van de erfpachtcanon of retributie.
  16. Een niet-ingezetene die is onderworpen aan de heffing van MRB, wordt geacht te wonen in de provincie die het laagste aantal opcenten heeft.
  17. De vrijstelling van kolenbelasting voor kolen die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit, wordt opnieuw ingevoerd. Ter dekking van de herintroductie van de vrijstelling worden de tarieven in de energiebelasting voor aardgas en elektriciteit verhoogd.

(Bron:FUTD)

Het Gerechtshof Den Haag bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag dat hoewel de vennoten van een maatschap naar de regels van het burgerlijk recht niet hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de maatschap, zij op grond van artikel 33, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de IW wel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de maatschap verschuldigde rijksbelastingen.

Een man is samen met zijn broer vennoot van een maatschap. De activiteiten van de maatschap bestaan uit het voor gezamenlijke rekening van de maten beleggen in onroerende zaken. De man is aansprakelijk gesteld voor door de maatschap niet betaalde omzetbelasting inclusief kosten, rente en boeten ten bedrage van in totaal € 1.239.507. Na bezwaar heeft de Belastingdienst het bedrag waarvoor de man aansprakelijk is gesteld, verminderd tot € 958.167,26.

Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat de man door een onjuiste adressering van de aansprakelijkstelling niet in zijn belangen is geschaad. Hij heeft immers tijdig tegen de beschikking aansprakelijkstelling bezwaar gemaakt. De man stelt verder dat hij ten onrechte aansprakelijk is gesteld, omdat hij geen volledig aansprakelijke vennoot van de maatschap is. Deze stelling is onjuist, oordeelde de Rechtbank. Hoewel de vennoten van een maatschap naar de regels van het burgerlijk recht niet hoofdelijk, doch slechts voor gelijke delen aansprakelijk zijn voor de schulden van de maatschap, zijn zij op grond van artikel 33, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet (IW) wel hoofdelijk aansprakelijk voor de door de maatschap verschuldigde rijksbelastingen. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt als bestuurder aangemerkt de volledig aansprakelijke vennoot van een maat- of vennootschap. Volgens de Rechtbank is de man door de Belastingdienst terecht aangemerkt als een volledig aansprakelijke vennoot en daarmee als bestuurder van de maatschap.

Hof Den Haag bevestigt in hoger beroep zonder nadere toelichting de oordelen van de Rechtbank.

(Bron: Fiscanet)

Voor alle werkende ouders gaat de kinderopvangtoeslag vanaf 1 januari 2016 omhoog.

Ouders ontvangen voor elk kind dat naar de opvang gaat meer kinderopvangtoeslag. Dit schrijft minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maandag aan de Tweede Kamer.

Het kabinet vindt het belangrijk dat jonge ouders werk en privé goed kunnen combineren. Goede en betaalbare kinderopvang helpt daarbij. Minister Asscher: ‘Goede kinderopvang biedt een vertrouwde en veilige omgeving gericht op de ontwikkeling van je kind. Daar breng je als werkende ouder met een gerust hart je kind naar toe. De kinderopvang heeft meerwaarde voor ouders en kinderen. Van die meerwaarde moeten ouders en kinderen gebruik kunnen maken.’

De vergoedingspercentages in de eerste en de tweede kindtabel worden voor iedereen verhoogd met een gelijk aantal procentpunten.

  • De eerste kindtabel wordt verhoogd met 5,8 procentpunt. Dit betekent ook dat de vaste voet stijgt van 18% naar 23,8%.
  • De tweede kindtabel wordt eveneens met 5,8 procentpunt verhoogd.

De verhoging van de kinderopvangtoeslag kost 290 miljoen euro stuctureel per jaar. De maatregel staat in de begroting die het ministerie met Prinsjesdag openbaar maakt. Asscher stuurt de maatregel nu naar de Tweede Kamer, zodat het begin volgend jaar al in kan gaan.

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Op 27 juni 2014 besliste de Hoge Raad in twee proefprocedures van exploitanten van kansspelautomaten dat vanaf 1 juli 2008 kansspelbelasting (KSB) mocht worden geheven. Verwijzingshof Den Haag moest echter nog wel beslissen over de vraag of sprake was van een individuele en buitensporige last voor BV X en BV Y die over juli 2008 respectievelijk € 72.723 en € 511.474 aan KSB waren verschuldigd door de wijzing van het regime (KSB in plaats van BTW). Hof Den Haag besliste ten aanzien van BV X dat de wijziging van de Wet KSB in haar geval een buitensporige last van een zodanige omvang had teweeggebracht dat zonder compensatie geen sprake was van een “fair balance” tussen het algemeen belang en de bescherming van de individuele rechten. Het Hof honoreerde daarom het verzoek van BV X om schadeloosstelling. Het aan een bepaald jaar toe te rekenen gedeelte van de in totaal geleden schade (het “jaarbedrag”) kwam volgens het Hof slechts voor vergoeding in aanmerking indien en voor zover de daarin begrepen posten ertoe hadden geleid dat BV X in het desbetreffende jaar een negatief bedrijfsresultaat had behaald. Het enkel niet lijden van verliezen vond het Hof echter onvoldoende om het voortbestaan van een onderneming te verzekeren en daarom ging het Hof uit van een “decent profit” van (in dit geval) € 100.000 per jaar. Van BV X mocht redelijkerwijs wel worden verwacht dat zij na de regimewijziging maatregelen zou treffen en daarom vond het Hof een geleidelijke afbouw van de schadeloosstelling redelijk en billijk. Het Hof stelde de schadeloosstelling vast op respectievelijk 100%, 75%, 50% en 25% van het jaarbedrag voor 2008, 2009, 2010 en 2011. Het Hof veroordeelde de inspecteur uiteindelijk tot een schadeloosstelling van in totaal € 1.364.740. Ten aanzien van BV Y besliste het Hof dat zij met de overgelegde overzichten van bedrijfsresultaten niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een buitensporige last, hoewel niet moest worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de invoering van de KSB ook bij BV Y een forse last had veroorzaakt.

(Bron: FUTD)

Bij de aanslagregeling IB 2011 liet de inspecteur aan X weten dat hij zou afwijken van de aangifte omdat X geen recht had op de gecombineerde heffingskorting van € 3.484. X maakte vervolgens bezwaar, maar de inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. X ging in beroep en stelde dat hij in het kader van het bezwaar op 31 oktober 2014 was gehoord en dat de inspecteur hem toen had toegezegd dat hij recht had op een gecombineerde heffingskorting van € 3.484. Rechtbank Den Haag was het met X eens dat uit het verslag van de hoorzitting bleek dat de inspecteur ondubbelzinnig had verklaard dat het bezwaar zou worden toegewezen. Uit de uitlating van de inspecteur in dat verslag bleek volgens de Rechtbank dat sprake was van een toezegging. Aan die toezegging mocht X het vertrouwen ontlenen dat de inspecteur zich daaraan zou houden. De inspecteur kon ook niet meer daarop terugkomen, omdat hij de toezegging, die kennelijk op een vergissing berustte, niet onmiddellijk had herroepen. De toezegging was gedaan op 31 oktober 2014 en bij brief van 10 november 2014 herroepen. Gelet op dit tijdsverloop en de stelligheid waarmee de toezegging was gedaan, was volgens de Rechtbank geen sprake van een “onverwijlde” herroeping. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

(Bron: FUTD)OK

De minister van Financiën heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de fiscale aspecten van rentemiddeling voor hypotheekbezitters. Dit als reactie op de recente oproep van de Vereniging Eigen Huis aan geldverstrekkers om rentemiddeling aan te bieden aan alle hypotheekklanten met een lopend rentecontract.

Bij rentemiddeling wordt de lopende rentevastperiode afgebroken en gaat een nieuwe rentevastperiode gelden. De verschuldigde boeterente wordt in feite over de nieuwe rentevastperiode verdeeld en in termijnen betaald. Doorgaans wordt op het actuele marktconforme rentepercentage een opslag bepaald, die de banken op verschillende manieren berekenen. Deze opslag bestaat uit twee elementen:

1. Het ‘uitsmeren’ van de boeterente over de nieuwe rentevaste periode.
2. Andere opslagen, zoals een vergoeding voor het risico van vroegtijdig volledig aflossen bij verkoop.

Dergelijke opslagen leiden niet tot splitsing van het rentepercentage wanneer de opslagen verwaarloosbaar zijn. Hiervan is sprake wanneer het totaal van alle opslagen een maximum van 0,2 procentpunt niet overschrijdt. Het percentage zal volgens de minister echter veelal boven dit maximum uitkomen. De opslagen dienen daarom gesplitst te worden van de eigenlijke rentevergoeding. Reële boeterente is aftrekbaar als kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld. Het uitsmeren van deze reële boeterente over een nieuwe rentevaste periode via een opslag maakt dit niet anders. De opslag onder (1) is dan ook aftrekbaar als kosten van geldleningen. De opslag onder (2) betreft als het ware een vergoeding voor het risico van vroegtijdig volledig aflossen bij verkoop. Een dergelijke opslag is niet te kwalificeren als rente of kosten van geldleningen en is dus niet aftrekbaar.

(Bron: Taxence)

Rechters zijn het (vooralsnog) niet eens of de verdeling van pensioenrechten wel of niet aan verjaring onderhevig zijn. De ene rechtbank zegt van wel, de andere van niet. De rechtbank in Middelburg vindt dat na 20 jaar nog steeds verdeling van pensioenrechten mogelijk is door de ex-echtgenote. De rechtbank in Leeuwarden vindt in een soorgelijke situatie dat de vordering op de verdeling verjaard is. Rechtbank Middelburg, 28 maart 2012, nr. 80131/ HA ZA 2011-364 X en Y zijn in 1965 in gemeenschap van goederen gehuwd. In 1990 scheiden ze en wordt de huwelijksgoederengemeenschap verdeeld. X heeft gedurende het huwelijk pensioen opgebouwd. In 2008 bereikt X de pensioengerechtigde leeftijd. Y vordert op dat moment de verdeling van het ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen van X. Gezien het jaar van echtscheiding valt de verdeling van pensioenrechten onder de regels van het Boon/Van Loon-arrest. Het voor en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen valt in de huwelijksgemeenschap en moet bij echtscheiding verdeeld worden. X kan niet bewijzen dat het pensioen al verdeeld is. Het pensioen wordt daarom als ‘overgeslagen goed’ aangemerkt en dient verdeeld te worden. Het beroep van X op verjaring wordt door de rechter verworpen, omdat de vordering van Y te kwalificeren is als een vordering tot verdeling van een gemeenschapsgoed. Deze vordering kan niet verjaren. De rechter veroordeelt X tot betaling van de helft van het bedrag van de contante waarde van het ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen. Daarnaast zal X de ontstane achterstand (vanaf pensioengerechtigde leeftijd) aan Y moeten vergoeden. Rechtbank Leeuwarden, 24 oktober 2012, nr. 118087 / HA ZA 12-51 X en Y zijn in 1964 in gemeenschap van goederen gehuwd. In 1984 wordt het huwelijk ontbonden. Bij de ontbinding is afgesproken om de pensioenaanspraken van X onverdeeld te laten. Vanaf 2006 geniet X een pensioenuitkering. In 2011 vordert Y de helft van de tot aan de echtscheiding opgebouwde pensioenrechten van X. Hierop geeft X aan dat de vordering tot verdeling van de pensioenrechten is verjaard. Y is het hier niet mee eens, omdat de pensioenrechten onverdeeld zijn gebleven en zij te allen tijde vrij is om verdeling te vorderen. De rechter oordeelt dat een vordering om het onverdeelde goed alsnog te verdelen mogelijk is, maar dat een dergelijk recht aan verjaring onderhevig is. De vordering van Y wordt wegens verjaring afgewezen. Belang voor de praktijk Het is opmerkelijk te noemen dat in twee soortgelijke uitspraken de rechters toch tot een andere uitspraak komen. In beide situaties is het Boon/Van Loon-arrest van toepassing. De echtgenoten waren in gemeenschap van goederen gehuwd en hebben in beide gevallen nagelaten om de pensioenrechten te verdelen bij echtscheiding. Beide ex-echtgenoten vorderen op een later tijdstip de helft van de door de echtgenoot opgebouwde pensioenrechten. In beginsel kan verdeling van een ‘overgeslagen goed’ op elk moment worden gevorderd. De vraag is of een dergelijke vordering onderhevig is aan verjaring. De algemene verjaringstermijn is 20 jaar. In de uitspraak van Rechtbank Leeuwarden wordt voorbijgegaan aan het feit dat een ‘overgeslagen goed’ niet aan verjaring onderhevig is. De uitspraak van Rechtbank Middelburg is gebaseerd op het feit dat verdeling van een ‘overgeslagen goed’ te allen tijde gevorderd kan worden. Hieruit kan worden opgemaakt dat je niet aan verjaring toekomt. Voor echtscheidingssituaties die onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding vallen (Wet VPS, geldig vanaf 1 mei 1995), is verjaring niet aan de orde. In die gevallen heeft de ex-partner altijd een vereveningsaanspraak jegens de andere partner. [Bron: Fiscaal-Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden]

De staatssecretaris van Financiën heeft de al veel eerder aangekondigde Autobrief II naar de Tweede Kamer gestuurd. De brief bevat de plannen voor de aanpassing van de belastingen op de aanschaf, het bezit en gebruik van auto’s voor de komende jaren. Aanleiding voor herziening van de autobelastingen is de constatering dat de gewenste belastingopbrengsten en de milieudoelstelling niet worden gehaald.

 

De Autobrief II heeft betrekking op de periode van 2017 tot 2020 en bevat als doelstellingen vereenvoudiging van de regelgeving en stabilisering van de belastinginkomsten, gekoppeld aan een grotere milieuwinst.

 

De hoofdlijnen van de Autobrief II zijn:

  • Verlaging van de motorrijtuigenbelasting voor de meeste auto’s met gemiddeld 2%. Voor oudere dieselauto’s (zonder fabrieksroetfilter) gaat de motorrijtuigenbelasting omhoog.
  • Het aantal bijtellingspercentages voor privégebruik gaat van vier naar twee. Voor nulemissievoertuigen met een catalogusprijs van maximaal € 50.000 blijft de bijtelling 4%. Voor andere voertuigen gaat op termijn de bijtelling naar 22%.
  • De belasting op de aanschaf (BPM) gaat met gemiddeld 12% omlaag. De BPM wordt minder CO2-afhankelijk.
  • De plug-in hybrides worden zowel qua bijtelling als in de motorrijtuigenbelasting (MRB) en de BPM meer en meer als reguliere auto’s behandeld.

 

De in de Autobrief II opgenomen plannen worden na discussie met de Tweede Kamer opgenomen in een wetsvoorstel. Dat wetsvoorstel zal dit najaar aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

(Bron: ABAB)