DIT IS MIJN WINST SOFTWARE B.V.

All posts in Nieuws

Op 1 september is de nieuwe Wet bescherming erfgenamen tegen schulden ingegaan. Deze wet heeft als doel om de erfgenaam die de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, te beschermen tegen onverwachte schulden. Zuiver aanvaarden kan door een schriftelijke verklaring, maar ook door bepaalde gedragingen. In de oude wet werd niet uitgelegd om wat voor soort gedragingen het dan gaat. De nieuwe wet doet dat wél.

Zuiver aanvaarden

Je gedraagt je als ‘zuiver aanvaard hebbende erfgenaam’ als je goederen van de nalatenschap verkoopt of bezwaart met een schuld. Denk aan een hypotheek op een huis in de nalatenschap, of als je goederen op andere wijze aan schuldeisers onttrekt. Als je de schuldeisers te kennen geeft dat je de schulden van de nalatenschap voor je rekening neemt, aanvaard je ook zuiver.

Nieuwe mogelijkheid

De nieuwe wet geeft een mogelijkheid om alsnog beneficiair te aanvaarden als je achteraf geconfronteerd wordt met een schuld die je niet kende en ook niet behoorde te kennen. Je kunt dan ‘beneficiair aanvaarden’ binnen drie maanden nadat je de schuld ontdekt hebt. Dat gaat via de kantonrechter. Als er een onverwachte schuld boven tafel komt nadat de nalatenschap verdeeld is, en de schuld te hoog is om uit de nalatenschap te betalen, dan kan de erfgenaam die zuiver heeft aanvaard de kantonrechter binnen drie maanden verzoeken om te worden ontheven uit de verplichting om de schuld uit zijn eigen vermogen te voldoen. Deze mogelijkheid gaf de oude wet niet.

Beter beschermd

Wordt de erfgenaam nu echt beter beschermd door deze wijziging? Ik denk dat voorkomen beter is dan genezen. De beste bescherming is nog altijd beneficiair te aanvaarden. De wetgever kiest ervoor om dat niet als standaard in te voeren, in tegenstelling tot omringende Europese landen. Nu kun je alsnog in een discussie verzeild raken of je een schuld kende of had behoren te kennen. Dat wil je niet. De wetgever wil erfgenamen niet op kosten jagen omdat het 123 euro kost om beneficiair te aanvaarden, maar een procedure voeren over een discussie of je een schuld niet kende of behoorde te kennen, is vele malen duurder. Ik begrijp daarom niet waarom de wetgever voor deze ‘halve oplossing’ heeft gekozen. Als je een wet wijzigt, doe het dan meteen goed.

Openheid

Daarnaast geldt het oude advies: geef openheid van zaken aan eventuele schuldeisers. Dan kan je niet verweten worden dat je goederen aan schuldeisers onttrekt. Praktisch betekent dat bijvoorbeeld dat als er een huurwoning in de nalatenschap is die op korte termijn leeg opgeleverd moet worden, die best ontruimd mag worden. Je moet de inboedel dan wel opslaan en de schuldeisers daarvan in kennis stellen. En aangeven dat je de nalatenschap beheert en deze werkzaamheden in die hoedanigheid uitvoert.

(Bron: DAS)

De btw op ontvangen facturen in aftrek gebracht maar de factuur nog niet betaald? U bent de btw na één jaar weer aan de Belastingdienst verschuldigd. Deze voorgestelde nieuwe regeling leidt ertoe dat u de btw op deze openstaande facturen moet betalen op 1 januari 2017 en moet voldoen op uw btw-aangifte. Wij adviseren u na te gaan welke facturen op 1 januari 2017 een jaar openstaan. Door tijdig een akkoord te sluiten met uw crediteur kunt u terugbetaling van de btw voorkomen.

Voordeel terugbetalen btw

Heeft u een factuur uitgereikt met daarop btw, dan kunt u de btw weer terugvragen zodra de factuur een jaar openstaat. De btw op facturen die op 1 januari 2017 openstaan, kunt u terugvragen over het eerste tijdvak van 2018. De nieuwe regeling werkt dus niet terug in uw voordeel.

 

Nadeel terugbetalen btw

De nieuwe regeling werkt wél terug in uw nadeel. Heeft u de btw  op facturen nog niet betaald maar wel (deels) teruggevraagd? Dan bent u die btw weer verschuldigd als de factuur na een jaar nog openstaat. Dit geldt dus ook voor facturen die op 1 januari 2017 een jaar openstaan. De btw op deze oude facturen van vóór 1 januari 2016 bent u op 1 januari 2017 verschuldigd.

Maak een overzicht van facturen die u nog moet betalen.  Staan deze facturen op 1 januari 2017 al een jaar open? Dan bent u de btw die u heeft teruggevraagd, weer verschuldigd. De btw verwerkt u op de btw-aangifte over het eerste tijdvak in 2017. Een akkoord met de crediteur kan voorkomen dat u de btw weer verschuldigd bent. Het akkoord moet ertoe leiden dat de koopschuld wordt omgezet in een leenschuld.

(Bron: ABAB)

Staatssecretaris Eric Wiebes in de Tweede Kamer. (Foto: Phil Nijhuis/HH)

Grote bedrijven in het bankwezen, de bouw en andere sectoren verbreken in hoog tempo hun relaties met zzp’ers onder druk van de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA), zo blijk uit een inventarisatie van deze krant. Naar schatting vele duizenden zelfstandigen verliezen hun opdracht. Vooral de grote opdrachtgevers vrezen hoge boetes en naheffingen wegens schijnconstructies, en zijn begonnen aan een eindejaarsschoonmaak om hun organisaties ‘DBA-bestendig’ te maken.

Grote schoonmaak

Grootbanken ING en Rabobank bevestigen dat ze bezig zijn het aantal zzp’ers sterk te reduceren om zich te conformeren aan de nieuwe wet van staatssecretaris Eric Wiebes. Ook de reorganisaties bij de instellingen spelen een rol. Hun woordvoerders zeggen dat zelfstandigen met cruciale expertise een vaste of tijdelijke baan aangeboden krijgen. Van andere zzp-relaties wordt voor 1 mei 2017 afscheid genomen. Ook pensioenuitvoerder PGGM verlaagt het aantal zzp-contracten. Naast de nieuwe wet speelt ook de reorganisatie daarbij een rol, aldus het bedrijf.

Vaste baan? Lang niet iedereen wil dit

Het vaste arbeidscontract is niet voor iedereen de heilige graal. Jonge, hoogopgeleide mensen verkiezen zelfontwikkeling en meebeslissen boven zekerheid en stilstand. De schoonmaak is echter veel breder gaande, onder meer in de bouw, de mediawereld, het verzekeringswezen en bij overheidswerkgevers waaronder ministeries en het onderwijs. Zelfstandigen en hun belangenbehartigers noemen BAM, Gasunie en verzekeraar Achmea. Ook bouwer Dura Vermeer is bezig met een grote schifting, bevestigt hr-directeur Alfred Boot.

‘Wat wel en niet mag, is onduidelijk. Als we de wet strak zouden toepassen zou de helft van onze zzp-inhuur niet meer mogen’, aldus Boot. Dura Vermeer heeft zo’n 800 zelfstandigen aan het werk, maar moet ook tientallen onderaannemers dwingen om zzp’ers naar huis te sturen, omdat het bedrijf als hoofdaannemer aansprakelijk is. Het bedrijf twijfelt bijvoorbeeld of zijn torenkraanmachinisten zich wel zzp’er mogen noemen, omdat ze niet hun eigen torenkraan bezitten. Op grote schaal mensen in vaste dienst nemen kan Boot niet omdat er te weinig werk is.

‘Geen vertrouwen in Belastingdienst’

‘Grote opdrachtgevers zijn buitengewoon terughoudend’, zegt bestuurder Marc Nijhuis van IT-detacheerder IT Staffing. Hij bemiddelt voor zo’n 1200 zelfstandigen. Van ongeveer een kwart daarvan is onduidelijk of zij zich volgens de DBA-wet zzp’er mogen noemen. ‘Sommige bedrijven zijn heel rigide en stoppen volledig met zzp-inhuur waardoor projecten in gevaar komen.’

De belangrijkste belangenbehartiger voor zelfstandigen Stichting ZZP Nederland vindt de exodus ‘zeer kwalijk’. Voorzitter Maarten Post zegt dat er allerlei spookverhalen de ronde doen, en dat het grijze gebied dusdanig groot is dat werkgevers ‘geen vertrouwen meer hebben in de Belastingdienst’. Post schat dat vele tienduizenden zzp’ers zonder opdrachten komen te zitten. Zo’n 10% van zijn achterban zit nu al helemaal zonder werk, zo bleek uit een eerdere peiling van Post.

De meeste discussie gaat over langere detacheringen, die soms wel vijf of zes jaar lopen: die kunnen als verkapte dienstverbanden en premieontduiking aangemerkt worden door de Belastingdienst als er er sprake is van een gezagsverhouding. Er is onder meer veel onduidelijkheid in de IT-branche, waar veel gewerkt wordt met grote projecten die een lange horizon hebben en specialistische kennis vereisen. Veel bedrijven willen de belangrijkste zelfstandigen behouden, door hen ofwel in vaste dienst te laten treden bij hun detacheerder, ofwel bij henzelf. Dat lukt lang niet altijd. De zzp’ers zelf voelen er vaak niets voor om in vaste dienst te treden, omdat zij hun vrijheid willen behouden en zichzelf als ondernemer beschouwen.

Geen boetes

Staatssecretaris Wiebes heeft na eerdere ophef over DBA beloofd dat de fiscus werkgevers tot 1 mei 2017 de tijd geeft om hun werkwijze aan te passen, en tot die tijd geen boetes uitdeelt. In september heeft hij daar nog aan toegevoegd dat ‘goedwillende ondernemers’ ook daarna geen sancties hoeven te vrezen. De staatssecretaris ligt in de Tweede Kamer al langer onder vuur vanwege zijn impopulaire wet. Wiebes en minister Asscher (Sociale Zaken) pareren de kritiek tot nu toe door te zeggen dat DBA veel verkapte dienstverbanden aan het licht brengt. De wet zou helpen om uitbuiting van zelfstandigen te bestrijden en hen in vaste dienst te krijgen. Een voordeel van DBA ten opzichte van de voorganger VAR is dat de fiscus gemakkelijker meters kan maken in de handhaving door grote bedrijven in het vizier te nemen, zo verklaarde Wiebes eerder.

(Bron: FD)

Een dga (naar verluidt de oprichter van Randstad) schonk in 2008 ieder van zijn drie dochters een substantieel aandelenbelang in zijn holding. Destijds was er nog geen doorschuifmogelijkheid voor de afrekening van de aanmerkelijk belangheffing. En de dga had dus een aanzienlijke IB-schuld. Hij kreeg hiervoor wel 10 jaar lang renteloos uitstel van betaling. IB-schulden zijn niet aftrekbaar in box 3.

Daar verzon de dga het volgende op: hij droeg de IB-schuld over aan zijn BV. Op die manier bracht hij alsnog een vermogensdaling van meer dan 100 miljoen in box 3 teweeg. Daar wordt elke zichzelf respecterende inspecteur natuurlijk wat chagrijnig van.

Volgens de inspecteur ging de vlieger niet op omdat bij een schuldovername de schuldeiser (de belastingdienst) de overname moet goedkeuren. En dat deed de belastingdienst niet. Volgens de inspecteur bleef de dga dus gewoon een (niet aftrekbare ) belastingschuld aan de fiscus houden. De zaak kwam voor het Hof en uiteindelijk voor de Hoge Raad. De Hoge Raad gaf de dga gelijk. Ook al werkt de schuldovername niet tegenover de ontvanger, de schuld gaat de dga niet meer aan (in de woorden van de Hoge Raad: “De draagplicht van de belastingschuld is overgegaan op de BV”) en behoort dus niet meer tot het vermogen in box 3.

Bijkomend fiscaal voordeel van deze constructie is het volgende. De dga heeft de schuld overgedragen tegen de contante waarde. Voor minder dus dan de nominale waarde (er was immers 10 jaar uitstel van betaling). De BV moet na 10 jaar natuurlijk wel de volledige nominale waarde aan de belastingdienst betalen. Het verschil tussen de nominale waarde en de lagere contante waarde is een extra aftrekpost voor de BV!

(Bron: Accountantweek.nl)

Op grond van de Btw-richtlijn mag een ondernemer in beginsel de btw aftrekken op afgenomen goederen en diensten voor zover deze worden gebruikt voor btw-belaste prestaties. Deze bepaling biedt geen ruimte voor een regeling die de btw-aftrek volledig weigert als de ondernemer het aangeschafte goed voor minder dan 10% gebruikt voor btw-belaste prestaties.

Aftrekbare btw

In beginsel mogen ondernemers btw aftrekken als voorbelasting in hun aangifte omzetbelasting als deze btw gedurende het aangiftetijdvak:

  • is gefactureerd door andere ondernemers vanwege de prestaties die aan de ondernemer zijn verricht. De facturen moeten aan bepaalde eisen voldoen;
  • door de ondernemer verschuldigd is geworden omdat hij een intracommunautaire verwerving heeft verricht. Hierbij geldt als aanvullende voorwaarde voor het recht op aftrek dat de ondernemer moet beschikken over een correcte factuur; of
  • verschuldigd is geworden als gevolg van invoer van goederen, verlegging, het verrichten van prestaties binnen het eigen bedrijf die zijn aangewezen als btw-belaste diensten om concurrentieverstoring te voorkomen of vanwege de levering van een nieuw vervoermiddel door een particulier of wederverkoper.

 

Het recht op aftrek van voorbelasting is gekoppeld aan het gebruik voor btw-belaste prestaties. Bij bepaalde vormen van gebruik van de afgenomen prestaties in het buitenland kan ook recht op aftrek van voorbelasting bestaan. Bijvoorbeeld als de ondernemer volgens de nationale wet recht op aftrek van voorbelasting zou hebben gehad als het gebruik in Nederland had plaatsgevonden.

 

Uitzonderingen op recht op aftrek

In bepaalde gevallen is het recht op aftrek van voorbelasting uitgesloten. Als iemand ten behoeve van de onderneming een korte tijd verblijft in een horecabedrijf, is de btw in de kosten van eten en drinken niet aftrekbaar. Daarnaast kent het Besluit Uitsluiting aftrek omzetbelasting (BUA) nog enkele situaties waarin de aftrek van btw als voorbelasting is beperkt of zelfs geheel is uitgesloten. Daarbij valt te denken aan de btw op standsuitgaven of op loon in natura met uitzondering van de auto voor de zaak (de auto van de zaak valt onder een aparte regeling).

 

Uitsluitend gebruik voor (andere dan) belaste prestaties

De situatie is eenvoudig als de ondernemer prestaties afneemt die hij uitsluitend gebruikt voor btw-belaste prestaties. In beginsel kan hij dan gewoon alle btw aftrekken. Gebruikt de ondernemer de afgenomen prestaties uitsluitend ten behoeve van activiteiten die zijn vrijgesteld van btw, dan is de zaak eveneens simpel. Hij heeft dan geen recht op aftrek van voorbelasting.

 

Gemengd gebruik niet-investeringsgoederen en diensten

Als de ondernemer een afgenomen goed of dienst zowel voor btw-belaste prestaties als voor andere doeleinden (btw-vrijgestelde prestaties of privédoeleinden) gebruikt, mag hij een deel van de voorbelasting aftrekken. Voor diensten en goederen waarop doorgaans niet wordt afgeschreven – de zogeheten niet-investeringsgoederen – geldt dat men het recht op aftrek in eerste instantie moet bepalen op het moment van inkoop. Als de ondernemer het goed nog niet in gebruik heeft genomen, zal hij een schatting moeten maken. Wanneer hij daadwerkelijk het niet-investeringsgoed gaat gebruiken, moet hij de verhouding in het geschatte gebruik vergelijken met de verhouding in het werkelijke gebruik. Als de werkelijke verhouding afwijkt van de geschatte verhouding, moet een btw-correctie plaatsvinden. In beginsel baseert de ondernemer de verdeling op basis van omzetverhoudingen tenzij het werkelijk gebruik een betere verdeelsleutel vormt.

 

Gemengd gebruik investeringsgoederen

Voor investeringsgoederen gelden grotendeels dezelfde regels voor de berekening van de aftrek van voorbelasting voor de btw-aftrek als voor niet-investeringsgoederen. Een verschil is dat de ondernemer bij investeringsgoederen voor ieder goed afzonderlijk bepaalt of hij de btw splitst op basis van het werkelijk gebruik of op basis van de omzetverhoudingen. Bovendien moet de ondernemer gedurende de herzieningstermijn van vijf jaar (tien jaar bij onroerende investeringsgoederen) ieder jaar nagaan of de verhouding in het werkelijke gebruik met meer dan 10% afwijkt van de oorspronkelijke verhouding waarvan hij was uitgegaan. Overigens geldt deze 10%-marge in beginsel niet in het eerste jaar. Is sprake van een te grote afwijking, dan moet de ondernemer over 20% (10% als het gaat om onroerende zaken) een btw-correctie toepassen.

 

Nihilaftrek bij belast gebruik <10%

Voor het Hof van Justitie van de EU is de vraag gekomen of de fiscus het recht op aftrek van voorbelasting geheel mag weigeren als een afgenomen goed of dienst voor minder dan 10% voor economische activiteiten wordt gebruikt. Het district Potsdam-Mittelmark had namelijk enkele aangeschafte goederen voor 2,65% gebruikt voor btw-belaste prestaties. De belastingdienst van Brandenburg stond echter geen enkele aftrek toe nu het gebruik voor belaste prestaties minder dan 10% was. Maar deze beperking was niet toegestaan onder de Zesde Richtlijn. Ook de huidige richtlijn stelt dat een ondernemer recht heeft op aftrek van voorbelasting voor zover hij deze gebruikt voor belaste prestaties.

(Bron: Taxence)

Afbeeldingsresultaat voor representatiekostenDe aftrek voor bepaalde zakelijke kosten zoals een zakenlunch, een receptie of congressen en seminars zal waarschijnlijk vanaf 2017 omhoog gaan. Dit heeft de Staatssecretaris deze week aangekondigd. Deze aftrekmogelijkheid van de zogenaamde ‘gemengde kosten’ geldt voor IB-ondernemers en resultaatgenieters.

Met zijn aankondiging doelt de Staatssecretaris waarschijnlijk op de volgende in aftrek beperkte kosten en lasten die verband houden met:

  • Voedsel, drank en genotmiddelen;
  • Representatie, waaronder recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak;
  • Congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke.

Huidige regeling

Al jarenlang is in de wet bepaald dat deze kosten tot een bedrag van € 4.500 niet in aftrek komen op de winst. Naar keuze kan de belastingplichtige ook kiezen om in plaats van een niet aftrekbaar bedrag van € 4.500, 26,5% van de genoemde kosten niet in aftrek te brengen. 73,5% van deze kosten zijn dan wel aftrekbaar.

Nieuwe regeling?

Met de wetswijziging wil de Staatssecretaris waarschijnlijk het aftrekpercentage van 73,5% verhogen. Hoeveel de verhoging is en of ook het bedrag van € 4.500 mogelijk verlaagd wordt, is nog niet bekend. Het voorstel wordt voor 7 november 2016 verwacht. Het budget van de maatregel is wel al bekend en bedraagt € 20 miljoen.

Let op! De hiervoor beschreven aftrekbeperking geldt voor IB-ondernemers en resultaatgenieters. In de vennootschapsbelasting geldt de aftrekbeperking echter ook als er werknemers in dienst zijn. Het bedrag van € 4.500 wordt in dat geval vervangen door 0,4% van het totale belastbare loon van de werknemers als dit tot een hogere uitkomst leidt.

(Bron: HLB)

Huidige voorwaarden voor aftrek

Er kan alleen van de aftrekpost gebruik worden gemaakt als de huurwoning voor meer dan 10% zakelijk wordt gebruikt én de huurrecht is aangemerkt als ondernemingsvermogen. Op dat moment kan de betaalde huur in aftrek worden gebracht op de winst. Wel moet daarop een correctie worden aangebracht ter grootte van het eigen woning forfait voor ondernemingswoningen. Dit forfait bedraagt in 2016 in de meeste gevallen 1,85% van de WOZ-waarde van de woning.

Tip: De Hoge Raad heeft in de uitspraak niet aangegeven of ook recht op aftrek van kosten bestaat voor met de werkruimte samenhangende kosten. Denk daarbij aan de kosten van de inrichting, verzekeringen, de OZB en dergelijke. Uit eerdere rechtspraak is echter af te leiden dat een evenredig deel hiervan ook in aftrek komt. Dit is dus nog niet door de Hoge Raad bevestigd.

Aftrek via aangifte inkomstenbelasting

Het aanmerken van het huurrecht als ondernemingsvermogen doet u in de eerste aangifte waarbij dit speelt. Dit betekent dat u in dit doet in het jaar waarin de huur aanvangt of in het jaar waarin uw onderneming start. Staat de aangifte inkomstenbelasting over dat jaar nog niet definitief vast, dan kunt u nog gebruik maken van de aftrekpost, ook met terugwerkende kracht. De Staatssecretaris heeft al aangegeven dat in gevallen waarin de aangifte wel al definitief vaststaat, het niet meer mogelijk is alsnog als ondernemingsvermogen te etiketteren. U kunt dan geen gebruik meer maken van de aftrekpost in 2016 en eerdere jaren. Onder bijzonder omstandigheden kan dit anders zijn. Overleg hierover met ons.

Let op! De aftrek kan alleen worden toegepast door IB-ondernemers en resultaatgenieters met een huurwoning. Ondernemers met een koopwoning of dga’s met een huurwoning kunnen geen beroep doen op het arrest van de Hoge Raad. Zij kunnen overigens wel gebruik maken van de fiscale faciliteiten die al jaren gelden voor de zelfstandige werkruimte. Neem voor de exacte voorwaarden contact op met onze adviseurs.

Wetswijziging met ingang van 2017

De pret die velen dachten te hebben naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad lijkt slechts van korte duur. De Staatssecretaris heeft gisteren namelijk een wetswijziging aangekondigd die er op neer komt dat de aftrek van kosten voor de onzelfstandige werkruimte in een huurwoning niet meer mogelijk is vanaf 2017. De voorgestelde wetswijziging zal voor 7 november 2016 bekend gemaakt worden. Als de Tweede en Eerste Kamer instemmen met deze wijziging kan alleen nog in 2016 van deze aftrekpost gebruik worden gemaakt.

Tip: Betreft het een zelfstandige werkruimte  die voldoet aan de daarvoor gestelde criteria dan blijft aftrek mogelijk, ook in 2017. Neem voor de exacte voorwaarden van de aftrek van een zelfstandige werkruimte contact op met onze adviseurs.

(Bron: HLB)

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de inspecteur de afgetrokken eigenwoningrente terecht heeft gecorrigeerd. Nu zowel X als A de volledige hypotheekrente in aftrek heeft gebracht, mag de inspecteur aan ieder de helft toerekenen.

Belanghebbende, X, is gehuwd met A. X dient een pro forma bezwaarschrift in tegen de IB-aanslag 2012. In haar bezwaarschrift verzoekt X om te worden gehoord, en claimt zij aftrek van € 8699 aan eigenwoningrente. De inspecteur stelt de aftrekbare eigenwoningrente vast op € 8574, en rekent hiervan € 4287 aan X toe. X stelt dat zij ten onrechte niet is gehoord en dat de correctie ten aanzien van de eigenwoningrente ten onrechte is doorgevoerd.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de inspecteur de afgetrokken eigenwoningrente terecht heeft gecorrigeerd. De rechtbank wijst er hierbij op dat X en A beiden € 8699 aan eigenwoningrente in hun aangiften hebben afgetrokken. Op grond van art. 2.17 Wet IB 2001 heeft X dan recht op aftrek van de helft. Ten aanzien van het verzoek van X om te worden gehoord, merkt de rechtbank op dat de inspecteur in totaal ten minste 12 brieven en 22 e-mails aan X heeft gestuurd, met name met verzoeken om informatie en een nadere motivering van het pro forma bezwaarschrift. Van deze brieven en e-mails hielden er in totaal 20 (mede) verband met het horen van X. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat X, als er sprake was van een concrete uitnodiging, deze altijd op het laatste moment afzegde. Volgens de rechtbank heeft de inspecteur X in voldoende mate gelegenheid geboden om te worden gehoord. Het beroep is ongegrond.

(Bron: Taxlive)

Het Tweede Kamerlid Omtzigt (CDA) heeft vragen gesteld aan de staatssecretaris van Financiën over onder meer het telefonisch intrekken van bezwaren. Aanleiding hiervoor zijn de interne werkinstructies die via een WOB-verzoek openbaar zijn geworden. De heer Omtzigt wil in de eerste plaats weten waarom de Belastingdienst in strijd met artikel 6.14, lid 1, Awb bij het afhandelen van een bezwaarschrift geen ontvangstbevestiging stuurt naar de indiener van het bezwaar. Daarnaast wijst hij op artikel 6:21 Awb en de jurisprudentie waarin is voorgeschreven dat een bezwaar alleen schriftelijk kan worden ingetrokken of mondeling tijdens een hoorzitting, terwijl de werkinstructie uitgaat van een telefonische intrekking van bezwaarschriften. Het Kamerlid vraagt de staatssecretaris of deze instructie contra legem-beleid is en of dit beleid door de bewindsman is vastgesteld of door de Belastingdienst zelf. Verder vraagt de heer Omtzigt naar cijfermatige overzichten van het aantal mensen dat hun bezwaar telefonisch heeft ingetrokken in 2015 en in 2016, onderverdeeld naar soorten belastingplichtigen (zoals particulieren en (MKB- en grote) ondernemingen) en in hoeveel gevallen waarvan het bezwaar telefonisch is ingetrokken, sprake was van bijstand door een adviseur, advocaat of gemachtigde.

(Bron: FUTD)

Het niet-noteren van de omrijdkilometers en het niet effectief controleren van het verbod op privégebruik van de auto van de zaak, wil in het kader van de beboeting voor het niet toepassen van de bijtelling privégebruik nog niet zeggen dat sprake is van grove schuld. Zo oordeelde Hof Amsterdam in de volgende zaak.

Het ging om een uitzendbureau dat over verschillende auto’s beschikte. De auto’s werden gebruikt voor het opalen en afzetten van ingeroosterde ploegen. De chauffeurs mochten de auto’s niet zonder toestemming van belanghebbende privé gebruiken, maar als zij toestemming voor privégebruik vroegen, kregen ze die in beginsel. Bovendien parkeerden de chauffeurs de auto’s na hun werk nabij hun woning en bleven na afloop van de werkzaamheden in het bezit van de autosleutels. Dat betekende volgens het hof dat de auto’s ook voor privédoeleinden aan de chauffeurs ter beschikking stonden. Daar kwam nog bij dat het uitzendbureau niet aannemelijk kon maken dat zij effectief controleerde of het verbod op privégebruik door de chauffeurs daadwerkelijk werd nageleefd. Verder waren de gegevens zoals die waren opgenomen in de rittenoverzichten in onvoldoende mate controleerbaar. Het hof liet de naheffingsaanslagen in verband met het privégebruik van de auto’s dan ook in stand, maar verminderde wel de boete van ruim € 100.000. De door belanghebbende ingebrachte bewijsmiddelen waren weliswaar dermate oncontroleerbaar dat het onvoldoende was om aan de bewijslast te voldoen. Maar dat betekende op zichzelf nog niet dat belanghebbende telkens toen zij afzag van inhouding en afdracht ter zake van een voordeel in verband met de terbeschikkingstelling ernstig nalatig handelde. Laakbaar slordig handelen is niet voldoende voor het oordeel dat sprake is van grove schuld, aldus het hof.

(Bron: Taxence)