DIT IS MIJN WINST SOFTWARE B.V.

Nieuws

X kreeg in december 2014 van de inboedelverzekering € 22.630 uitgekeerd vanwege roet- en rookschade aan de inboedel door een brand. Dit had gevolgen voor het vermogen van haar medebewoner Y. Bij hem leidde dat tot een grondslag voor sparen en beleggen van € 765 en daarmee tot een vermogen dat meer was dan het heffingvrij vermogen. Omdat het vermogen van medebewoner Y meetelde was hierdoor de huurtoeslag voor X over 2015 definitief berekend op nihil en waren eerder toegekende voorschotten teruggevorderd. X ging in beroep en stelde dat de schadevergoeding als bijzonder vermogen buiten beschouwing moest blijven. Rechtbank Gelderland stelde voorop dat niet in geschil was dat de situatie van X niet voorkwam in de genoemde gevallen in artikel 9 Uitvoeringsregeling Awir. De Rechtbank was het met X eens dat de schade-uitkering buiten beschouwing had moeten blijven bij het vaststellen van het recht op huurtoeslag. De Rechtbank leidde dit af uit aan uitspraak van de Raad van State van 28 januari 2015 waarin was beslist dat er in uitzonderlijke gevallen ruimte was om een geval gelijk te stellen met de wél in artikel 9 Uitvoeringsregeling Awir geregelde gevallen. Verder was artikel 47 Awir ingevoerd voor situaties waarin de vermogenstoets ertoe zou leiden dat in strijd met de bedoeling van de wetgever geen of een lagere tegemoetkoming zou worden toegekend. De inboedel telde niet mee voor de rendementsgrondslag van box III. De inboedel van X was verloren gegaan door brand en de inboedelverzekering had een bedrag uitgekeerd waarmee X deze kon vervangen. Het bedrag van de inboedelverzekeraar was uitgekeerd en zag dan ook op de waarde van de inboedel. Van een feitelijke draagkrachtverbetering was volgens de Rechtbank geen sprake omdat de uitgekeerde vergoeding was bedoeld voor de compensatie van het verloren gegane vermogen in de inboedel. De Rechtbank besliste dat de wetgever had gewild dat een schadevergoeding bedoeld voor een vermogensonderdeel dat al tot de uitzonderingen behoorde in dat karakter van uitzondering deelde. De inspecteur had daarom de schade-uitkering buiten beschouwing moeten laten op grond van artikel 47 Awir in samenhang met artikel 9 Uitvoeringsregeling Awir. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond

Mevrouw X had van haar werkgever in 2013 twee auto’s ter beschikking gesteld gekregen. Het ging tot 5 november 2013 om een auto met een cataloguswaarde van € 33.885 (de 25%-auto) en daarna om een elektrisch aangedreven auto met een cataloguswaarde van € 51.865 (0%-auto). Mevrouw X hield voor beide auto’s een rittenregistratie bij. De 25%-auto had zij voor 376 km voor privédoeleinden gebruikt en de 0%-auto was voor 242 km voor privé gebruikt. Omdat de toegestane 500-km-grens was overschreden, legde de inspecteur een naheffingsaanslag LB op van (25% x € 33.885) x 52% x 308/365 dagen =) € 3.717. Mevrouw X ging in beroep. Hof Amsterdam had begrip voor de gedachtegang van mevrouw X dat het onjuist was om de met de 0%-auto gereden km’s in haar situatie mee te laten voor de vraag of de 500 km-grens was overschreden, omdat uit de wetsgeschiedenis bleek dat het de bedoeling van de wetgever was om het voordeel van het privégebruik van een 0%-auto niet in de heffing te betrekken. Het Hof vond het ook wel wrang, omdat mevrouw X uitsluitend met de 0%-auto tijdsevenredig gezien beduidend meer privé kilometers was gaan rijden, dan zij tot 5 november 2013 met de 25%-auto deed. Het privégebruik van de 25%-auto was immers – ook tijdsevenredig gezien – minder dan 500 km. Hier stond echter tegenover dat de Hoge Raad in een arrest van 17 december 1997 had beslist dat bij volgtijdelijk gebruik van aan een belastingplichtige ter beschikking gestelde auto’s voor de vraag of de 500 km-grens was overschreden, moest worden uitgegaan van het privégebruik van die auto’s tezamen, zodat de met de 0%-auto gereden privé km’s meetelden voor de vraag of de 500 km-grens grens was overschreden. Het Hof verklaarde het hoger beroep van mevrouw X ongegrond.

(Bron: FUTD)

‘Hij die eist, bewijst’, vormt een van de hoofdregels van het Nederlandse bewijsrecht. Om uw standpunt achteraf te bewijzen, legt u mondelinge afspraken vaak schriftelijk vast. Immers, papier is geduldig. Maar is het ondertekenen van iedere pagina nodig?

Een schriftelijk stuk, oftewel een onderhandse akte, heeft dwingende bewijskracht indien deze door beide partijen is ondertekend. Een rechter moet dan uitgaan van de juistheid hiervan. Tegenbewijs door de andere partij is echter mogelijk. Slaagt hij niet in het tegenbewijs, dan krijgt de eisende partij alsnog gelijk.

Een recente uitspraak van het Hof Den Haag laat zien dat naast de schriftelijke vastlegging en de ondertekening van de overeenkomst op de laatste pagina, het paraferen van iedere pagina van de overeenkomst van essentieel belang is.

Waar mocht het Hof in hoger beroep over oordelen?

Egelinck B.V. stelt bij de Rechtbank dat zij met meneer X een overeenkomst voor een geldlening gesloten heeft ter waarde van 150.000 euro. Om dit aan te tonen overlegt Egelinck B.V een op de laatste pagina getekende overeenkomst. De overeenkomst beslaat twee pagina’s. De heer X erkent dat de geplaatste handtekeningen echt zijn, maar stelt dat die zijn gezet op een leeg handtekeningenblad die bij een andere overeenkomst hoort. Egelinck B.V. heeft, zo stelt de heer X, later de eerste bladzijde en de tekst op de tweede bladzijde toegevoegd.

Op Egelinck B.V., die terugbetaling van de uitgeleende 150.000 euro vordert, rust nu volgens de hoofdregel de bewijslast om aan te tonen dat partijen een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan.

De Rechtbank vindt dat de heer X zijn stelling, dat Egelinck de boel bedonderd heeft, te weinig onderbouwt en gaat ervan uit dat de leningsovereenkomst bestaat. De Rechtbank wijst de vordering van Egelinck toe. De heer X moet dus 150.000 euro betalen.

Dwingende bewijskracht

De heer X is het er niet mee eens en gaat in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag. Het Hof vindt, kortgezegd, dat dwingende bewijskracht alleen geldt voor hetgeen op dezelfde bladzijde boven de handtekening in de leningsovereenkomst staat. Het leidt te gemakkelijk tot misbruik wanneer bladzijden zonder paraaf of handtekening worden beschouwd als wel ondertekend door een handtekening op de laatste bladzijde. Het Hof vond ook dat de heer X voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de inhoud van de overeenkomst niet kende of dat tekst later toegevoegd is.

Het Hof is het dus met de heer X eens. Het gevolg hiervan is dat de overeenkomst geen dwingende bewijskracht heeft. En daarmee staat niet vast dat de overeenkomst van geldlening is gesloten.
Het Hof geeft Egelinck B.V. vervolgens de bewijsopdracht om aan te tonen dat de partijen een lening zijn aangegaan.

Het is maar de vraag of Egelinck B.V. hierin slaagt. Kan Egelinck B.V. het bestaan van de overeenkomst niet bewijzen, dan wordt haar vordering alsnog afgewezen en hoeft de heer X niet te betalen.

Tip

Om te voorkomen dat achteraf discussie ontstaan over wat nu wel of niet is afgesproken is het van belang om alle pagina’s van een overeenkomst te paraferen en/of te ondertekenen. Dit geldt al als de overeenkomst maar uit twee pagina’s bestaat, maar natuurlijk ook voor uitgebreide contracten.

Onderteken of parafeer ook de mogelijk bij de overeenkomst gevoegde bijlagen en vermeldt op de bijlage dat ze onderdeel uitmaken van de overeenkomst.

(Bron: GT)

Algemene voorwaarden zijn niet verplicht, maar het is wel enorm belangrijk om ze te hebben. Ook moet je ze actueel houden om te zorgen dat ze je als ondernemer optimaal beschermen. Ze kunnen voorkomen dat je onenigheid krijgt over de levering van een product of dienst, de betaling of garantie. Ik zet een aantal belangrijke aandachtspunten op een rij.

1. Minder risico met algemene voorwaarden

Ondernemen is ook risico’s nemen, maar niet onnodig natuurlijk. Met duidelijke en goede algemene voorwaarden sluit je veel risico’s uit. Stel: je hebt een drukkerij en moet voor een winkelketen tassen bedrukken. De leverancier van de tassen levert echter te laat, waardoor je ze niet op tijd klaar hebt. Een flinke kostenpost, tenzij je in je algemene voorwaarden hebt aangegeven dat je niet aansprakelijk bent voor een te late levering buiten jouw schuld om en de eventuele schade die daaruit voortvloeit.

2. Zorg dat je voorwaarden passen bij je dienst of product

Bij het opstellen van voorwaarden kun je gebruikmaken van standaardvoorwaarden. Veel ondernemers gebruiken die van de Kamer van Koophandel of een branchevereniging. Het kan echter noodzakelijk zijn om die voorwaarden aan te passen, omdat ze net niet bij jouw producten of diensten passen. Of omdat bepaalde belangrijke voorwaarden die voor jou gunstig zijn, zoals eigendomsvoorbehoud of retentierecht, niet zijn opgenomen. Dan kunnen extra afspraken in je algemene voorwaarden nodig zijn. Er mogen alleen afspraken in je algemene voorwaarden staan die voor al je klanten gelden. Het enige onderscheid dat je mag maken, is die tussen particuliere en zakelijke klanten.

3. Leg spelregels schriftelijk vast

Ondernemen zonder duidelijke afspraken is niet verstandig. Ook niet als je iemand heel goed kent of al langer zaken mee doet. Leg daarom de belangrijkste spelregels schriftelijk vast in je algemene voorwaarden. Je moet ze wel geldig verklaren en ze fysiek of digitaal ter beschikking stellen aan je klanten, voor of bij het sluiten van de overeenkomst. Bijvoorbeeld door ze af te drukken op de achterkant van de overeenkomst. In je webshop moet je een duidelijke hyperlink opnemen en een klant moet de voorwaarden kunnen opslaan en aangeven dat hij akkoord is. Bespreek je de afspraken alleen mondeling en gaat er iets mis? Dan is het altijd jouw woord tegen dat van de klant. En probeer dan maar eens te bewijzen dat je de ander de mogelijkheid hebt geboden kennis te nemen van de algemene voorwaarden.

4. Geen onredelijke afspraken

Er gelden regels voor wat er in je algemene voorwaarden mag staan. Dat mag je niet helemaal zelf bepalen. Afspraken mogen bijvoorbeeld niet afwijken van het consumentenrecht en je mag geen onredelijke bepalingen opnemen. Bijvoorbeeld dat alleen jij de overeenkomst mag ontbinden en je klant niet. Dat zou onredelijk zijn. In andere gevallen bepaalt de situatie wat onredelijk is. De overheid heeft een zwarte en een grijze lijst gemaakt. Bepalingen op de zwarte lijst zal een rechter als onredelijk bestempelen, die op de grijze lijst als twijfelachtig. Staan er onredelijke afspraken in je voorwaarden, dan ben je waarschijnlijk minder goed beschermd dan je denkt.

5. Voorkomen van onbetaalde facturen

Goede algemene voorwaarden zijn ook cruciaal in je debiteurentraject. Je kunt afspraken opnemen om te voorkomen dat je blijft zitten met onbetaalde rekeningen. Bijvoorbeeld een eigendomsvoorbehoud. Hiermee geef je aan dat het product dat je levert van jou blijft, tot de klant heeft betaald. Of je gebruikt het retentierecht. Dit betekent dat je afspreekt dat je goederen pas teruggeeft of levert, zodra de klant heeft betaald. Heeft een klant bijvoorbeeld een caravan bij je gestald, maar betaalt hij al tijden de huur niet? Dan mag je de caravan in bezit houden tot de klant de huurachterstand heeft voldaan.

6 Zorg dat je algemene voordelen actueel zijn

Heb je je algemene voorwaarden een hele tijd geleden gemaakt? Dan is de kans groot dat ze je niet meer optimaal beschermen. Er zijn namelijk allerlei gebeurtenissen denkbaar die vragen om een aanpassing van je voorwaarden. De meest voor de hand liggende zijn wetswijzigingen waaraan je bedrijf moet voldoen. Verandert de overheid bijvoorbeeld de incassoregels of de wettelijke bedenktijd, dan kan dat gevolgen hebben voor jouw voorwaarden. Maar het kan ook zijn dat juist je bedrijf verandert of de samenstelling van je producten of diensten. Ook dan moet je de algemene voorwaarden op tijd bijwerken.

(Bron: DAS)

Volgens Hof Den Haag was het voor het beëindigen van de opting-inregeling noodzakelijk dat de Verklaring opting-in wordt ingetrokken. Omdat die verklaring niet was ingetrokken bleef de dienstbetrekking tussen een ziekenverzorger en een PGB-budgethouder doorlopen.

Een ziekenverzorgster geniet, als verzorgende van haar moeder, inkomsten uit hoofde van werkzaamheden ter zake van het Persoons Gebonden Budget (PGB) dat aan de budgethouder is toegekend. Bij aanvang van de werkzaamheden in 2008 heeft zij gebruik gemaakt van de zogenoemde opting-inregeling en ervoor gekozen de arbeidsverhouding aan te laten merken als een fictieve dienstbetrekking. Een zogenoemde verklaring opting-in van 17 oktober 2008 behoort tot de gedingstukken, waarin de budgethouder en de ziekenverzorgster het Servicecentrum PGB (onderdeel van de SVB) machtigt om loonheffing en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet in te houden en af te dragen.

De ziekenverzorgster geeft voor het jaar 2013 in haar aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen de inkomsten uit het PGB als resultaat uit overige werkzaamheden op. Daarbij brengt zij kosten op het resultaat in mindering. De inspecteur accepteert dit niet, hij merkt de inkomsten uit het PGB aan als loon uit dienstbetrekking en laat de kosten niet in aftrek toe. Naar het oordeel van het hof is de Verklaring opting-in een gezamenlijke verklaring als bedoeld in de opting-inregeling. Een Verklaring opting-in blijft van kracht totdat zij wordt opgezegd. Dat de Verklaring opting-in is opgezegd, is echter gesteld noch gebleken. Mitsdien gold de Verklaring opting-in (ook) voor het jaar 2013 en wordt de arbeidsverhouding tussen de ziekenverzorgster en haar moeder als een dienstbetrekking beschouwd.

(Bron: PKF Wallast)

Het UWV heeft vrouwelijke zelfstandigen onterecht een zwangerschaps- en bevallingsuitkering geweigerd, zo oordeelde de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op 27 juli 2017. Op grond van het VN-Vrouwenverdrag hebben zij recht op enige vorm van bevallingsverlof met behoud van (een zeker) inkomen. De vrouwelijke zelfstandigen moet alsnog een passende compensatie worden aangeboden.

Wat speelt er?

Vrouwen die zelfstandig werkten konden in de periode van 1 augustus 2004 tot 4 juni 2008 geen aanspraak maken op een publiekrechtelijke verzekering tegen het risico van verlies van inkomen wegens zwangerschap en bevalling. Voor die tijd konden zij een beroep doen op de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), waarin ook was voorzien in een zwangerschaps– en bevallingsuitkering Vanaf 4 juni 2008 geldt de Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen (Wet ZEZ). In de periode hiertussen moesten zij zelf iets regelen. Bijvoorbeeld door te sparen, of door een particuliere verzekering af te sluiten. Particuliere verzekeringen hanteerden een wachttijd van twee jaar en de overheid zorgde niet voor een overgangsregeling.

Procedure tegen de Staat

Een aantal vrouwen heeft juridische procedures aangespannen tegen de Staat. Zij stelden dat er sprake was van discriminatie. Zij beriepen zich op het VN-Vrouwenverdrag. Dit verdrag verplicht staten ertoe alle vormen van discriminatie van vrouwen uit te bannen. Vooral artikel 11 is belangrijk. Dit gaat over het verbod van discriminatie bij arbeid wegens huwelijk en moederschap. Hierin staat onder meer dat staten bevallingsverlof moeten invoeren, met behoud van loon of met vergelijkbare sociale voorzieningen. De Nederlandse rechter gaf de vrouwen geen gelijk. De Hoge Raad oordeelde in 2011 dat artikel 11 van het VN-Vrouwenverdrag geen rechtstreekse werking heeft. De betekenis hiervan wordt uitgelegd in de laatste alinea’s.

Klacht bij het CEDAW

Een groep vrouwen diende vervolgens een klacht in bij het CEDAW, het Comité dat toezicht houdt op de naleving van het VN-Vrouwenverdrag. Dat Comité oordeelde in 2014 dat Nederland in strijd met het verdrag handelt. Hierover schreven we eerder een bericht. De minister van Sociale Zaken liet het CEDAW weten dat hij het niet met de uitspraak eens was. Hij deelde mee dat hij de aanbevelingen, om de vrouwen alsnog te compenseren voor het verlies van inkomen, niet zou opvolgen.

Opnieuw naar de rechter

Een aantal vrouwen vroeg opnieuw een uitkering aan bij het UWV, en beriepen zich daarbij op de uitspraak van het CEDAW. Het UWV weigerde de uitkering. Vervolgens legden deze vrouwen de zaak opnieuw voor aan Nederlandse rechters. De Rechtbank Utrecht deed uitspraak in het voordeel van een de vrouwen. Lees hier een eerder bericht van ons. De Rechtbank Amsterdam kwam tot een ander oordeel. Het UWV en de twee vrouwen die betrokken waren bij de zaak voor de Amsterdamse rechter gingen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Deze deed op 27 juli 2017 uitspraak hierover.

Belangrijke punten uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep

Geldt artikel 11 van het VN-Vrouwenverdrag voor zelfstandigen?

Een belangrijk punt van discussie is of artikel 11 nu wel of niet voor zelfstandigen geldt. De Staat stelt van niet, omdat artikel 11 alleen over vrouwen in loondienst zou gaan. Maar het CEDAW vindt deze beperkte interpretatie door Nederland niet juist, en oordeelt dat artikel 11 ook over zelfstandigen gaat. In de procedure voor de CRvB houdt het UWV vol dat het soort discriminatie dat artikel 11 bestrijdt, discriminatie door werkgevers is. Zelfstandige vrouwen lopen niet de risico’s die vrouwen in loondienst lopen. Het UWV ziet daarom geen reden de uitspraak van het CEDAW over te nemen.

Omdat hier ook aan de orde is of het UWV de uitspraak van het CEDAW naast zich neer mag leggen, gaat de CRvB daar eerst op in. Volgens de CRvB gaat het hier om een uitspraak van een internationaal comité met een inhoudelijke interpretatie van het Verdrag. Die uitspraak is niet juridisch bindend, maar wel gezaghebbend en daarom heeft de uitspraak een bijzondere betekenis in dit soort procedures voor de rechter. Omdat CEDAW bevoegd is toezicht te houden op de naleving van het verdrag en klachten te behandelen, moet het bepalingen kunnen uitleggen. De CRvB wijst op voorbeelden waarin de Staat dit zelf ook heeft erkend. De CRvB ziet ook geen andere goede reden om de uitleg van het CEDAW niet op te volgen. Conclusie: artikel 11 geldt ook voor zelfstandigen.

Heeft artikel 11, tweede lid, sub b van het VN-Vrouwenverdrag rechtstreekse werking?

In Nederland geldt dat een internationale bepaling rechtstreekse werking heeft als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Als dat zo is, kan de rechter die bepaling toepassen. De rechter onderzoekt of de nationale regels en praktijk in overeenstemming zijn met het artikel. Als een wet in strijd is met een dergelijke bepaling, kan de rechter de wettelijke bepaling buiten toepassing laten. Een van de voorwaarden is dat de internationale bepaling voldoende nauwkeurig omschrijft wat het resultaat moet zijn. Volgens de CRvB is het nagestreefde minimumresultaat van artikel 11 duidelijk. Dat is namelijk dat voor iedere vrouw die inkomensvormende arbeid verricht een vorm van bevallingsverlof met behoud van (een zeker) inkomen open moet staan. Artikel 11, tweede lid, sub b, is in dit opzicht dus geschikt voor toepassing door de rechter.

Is het VN-Vrouwenverdrag geschonden?

Omdat een bestaande regeling is afgeschaft en er geen goede alternatieve regeling kwam heeft de Staat zich niet gehouden aan de verplichting dit minimumresultaat te garanderen. Conclusie: er is strijd met artikel 11 van het VN-Vrouwenverdrag.

Wat is het gevolg van de conclusie dat er strijd is met het VN-Vrouwenverdrag?

Artikel 11 van het VN-Vrouwenverdrag bepaalt dat Staten moeten regelen dat er bevallingsverlof is met een zeker inkomen. Het bepaalt niet precies hoe een regeling eruit moet zien. De besluiten van het UWV komen erop neer dat de vrouwen geen enkele vorm van verlof met behoud van inkomen hebben. Dat is in strijd met het recht. Er zijn verschillende oplossingen mogelijk om daar een einde aan te maken. Daarom geeft de CRvB het UWV nog zestien weken de tijd om iets te regelen, zodat aan de verplichtingen uit het VN-Vrouwenverdrag wordt voldaan. Als het UWV dat niet (goed) doet, zullen de bepalingen die zorgen voor de strijdigheid met het verdrag buiten toepassing worden gelaten.

Uit berichten in de media blijkt dat het UWV van tevoren heeft laten weten dat de uitspraak voor alle vrouwen geldt. Bij de FNV hebben zich inmiddels ruim 800 vrouwen gemeld.

(Bron: Mensenrechten.nl)

Ondernemers met een auto van de zaak kunnen te maken krijgen met een hogere bijtelling voor het privégebruik. Dit is alleen het geval voor auto’s met een verlaagde bijtelling van 14% of 20%.

Tenaamstelling vóór 1 juli 2017

De verhoging van de bijtelling geldt voor auto’s met een CO2-uitstoot van meer dan 50 gram per kilometer, die vóór 1 juli 2012 voor het eerst op naam zijn gesteld. Is de auto op of na 1 juli 2012 van eigenaar gewisseld, dan geldt de bijtelling van 14% of 20% tot 1 juli 2017. Vanaf 1 juli 2017 is de bijtelling privégebruik voor deze auto’s verhoogd naar 25%. Is de auto sinds 1 juli 2012 niet van eigenaar gewisseld, dan blijft de verlaagde bijtelling nog tot en met 31 december 2018 van toepassing.

Andere auto’s

Voor andere auto’s hoeft niet te worden nagegaan of de auto van eigenaar is gewisseld. Voor deze auto´s blijft de bijtelling 60 maanden gelden, ook als de auto van eigenaar is gewisseld. De termijn van 60 maanden start op de eerste dag van de maand waarin de auto voor het eerst op naam is gesteld. Na 60 maanden moet de bijtelling opnieuw worden bepaald volgens de wetgeving die dan van toepassing is. Geldt op dat moment geen verlaagde bijtelling voor de desbetreffende auto? Dan bedraagt de bijtelling 25%.

[ Bron: Register Belastingadviseurs ]

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de echtelijke woning van X niet is aan te merken als pensioenvoorziening. De in verband met de toedeling van de woning gemaakte kosten zijn dan niet aan te merken als kosten tot verwerving, inning of behoud van uitkeringen en verstrekkingen. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

Het huwelijk van X eindigt in 2011 door echtscheiding. In het kader van de echtscheiding heeft verevening van wederzijdse pensioenrechten plaatsgevonden. X stelt dat hij € 20.000 aan advocaatkosten heeft gemaakt, in verband met de toedeling van de echtelijke woning en spaartegoeden, en dat deze aftrekbaar zijn als aftrekbare kosten van uitkeringen en verstrekkingen. X is namelijk van mening dat zijn woning en vermogen moeten worden aangemerkt als pensioenvoorzieningen.

Hof Arnhem-Leeuwarden (MK I, 4 oktober 2016, 16/00010, V-N 2016/67.1.1) oordeelt dat de echtelijke woning van X en zijn vermogen niet zijn aan te merken als pensioenvoorziening. Het hof verwijst daarbij naar de artikelen 3.100 – 3.107 Wet IB 2001. In deze artikelen wordt omschreven wat onder belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen moet worden verstaan, en de echtelijke woning en vermogen worden niet genoemd in deze artikelen. Volgens het hof zijn de ter zake van de toedeling van die vermogensbestanddelen in de echtscheidingsprocedure gemaakte advocaatkosten dan ook niet gemaakt tot verwerving, inning of behoud van uitkeringen en verstrekkingen. Het gelijk is aan de inspecteur.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

(Bron: Taxlive)

Door slim uw facturering te plannen, kunt u de afdracht van btw drie maanden uitstellen. De btw op een factuur van 30 juni bestemd voor een ondernemer, moet u namelijk uiterlijk 31 juli al afdragen. Doet u één keer per kwartaal btw-aangifte en factureert u op 1 juli, dan hoeft u de btw pas uiterlijk 31 oktober af te dragen. Een dag later factureren, levert dus drie maanden uitstel van betaling op. Wilt u gebruik maken van deze mogelijkheid, houd dan wel rekening met een aantal zaken.

Eindeloos uitstellen factuur niet mogelijk

Het is niet mogelijk om uw facturering eindeloos uit te stellen. U bent namelijk wettelijk verplicht om uw factuur uit te reiken uiterlijk op de 15e dag van de maand die volgt op de maand van goederenlevering of dienstverlening. Voor in mei verrichte prestaties moet u daarom uiterlijk 15 juni een factuur uitreiken. U kunt deze factuur niet uitstellen tot 1 juli!

Let op! Reikt u geen of te laat een factuur uit, dan stelt u daarmee niet uw btw-afdracht uit. De btw wordt namelijk altijd op de 15e dag van de nieuwe maand verschuldigd. Voor in mei verrichte prestaties moet u daarom de btw afdragen uiterlijk bij u btw-aangifte juni of tweede kwartaal, ook als u in die periode nog geen factuur heeft uitgereikt!

Vooruitbetalingen

U kunt uw btw-afdracht niet uitstellen als u al een vergoeding van uw afnemer ontvangen heeft. Het heeft dan ook geen zin om uw afnemer vooruit te laten betalen in juni en de factuur pas op 1 juli uit te reiken. U moet de btw namelijk afdragen uiterlijk in de periode waarin de vergoeding ontvangen wordt. Btw over in juni ontvangen bedragen moet u dan ook in uw btw-aangifte juni of tweede kwartaal betalen, ook als de factuur pas in juli wordt opgemaakt.

Afwijkende regels bij particuliere afnemer

Is uw afnemer geen ondernemer maar een particulier dan gelden andere regels. U bent namelijk niet verplicht om een factuur aan een particulier uit te reiken. De btw over prestaties die u verricht voor een particulier bent u daarom verschuldigd in de periode waarin u de prestatie heeft verricht. De btw over in juni verrichtte prestaties aan particulieren moet u dan ook afdragen in uw btw-aangifte juni of tweede kwartaal. Dit geldt ook als u toch een factuur uitreikt aan de particulier met een factuurdatum in juli!

Tip: Het zal niet altijd mogelijk zijn om de facturering uit te stellen. Uw afnemer heeft namelijk een tegengesteld belang. De btw op een factuur van 30 juni, zal uw afnemer in de aangifte tweede kwartaal al in aftrek kunnen brengen. Voor de btw op een factuur van 1 juli, zal uw afnemer moeten wachten tot zijn volgende btw-aangifte (juli dan wel derde kwartaal).

(Bron: HLB)

De staatssecretaris heeft het conceptwetsvoorstel van de voorgenomen aanscherping van de definitie voor geneesmiddelen voor toepassing van het verlaagde BTW-tarief voor internetconsultatie aangeboden. De toepassing van het verlaagde BTW-tarief voor geneesmiddelen wordt afhankelijk gesteld van de afgifte van een (parallel)handelsvergunning of expliciete vrijstelling daarvan, zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet. Producten zullen daarom vanaf 1 januari 2018 alleen onder het verlaagde BTW-tarief vallen als voor deze producten een (parallel)handelsvergunning is afgegeven of als deze producten daar expliciet van zijn vrijgesteld. Door de koppeling met de (parallel)handelsvergunning, of expliciete vrijstelling daarvan zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet, zullen cosmetische, reinigende en verzorgende producten en andere farmaceutische producten die verhandeld worden met een vergunning als medische hulpmiddelen niet (meer) kwalificeren als geneesmiddel voor de BTW.

(Bron: FUTD)