DIT IS MIJN WINST SOFTWARE B.V.

Nieuws

Bij de aanschaf van een auto is het van belang of een auto fiscaal ‘nieuw’ is. Dit is namelijk van invloed op de hoogte van een tweetal autobelastingen: de bpm en btw.

Wanneer is uw auto nieuw en wanneer gebruikt? En zijn de regels voor de bpm, belasting voor personenauto’s en motorrijwielen, en btw gelijk?

Wat is ‘gebruikt’ voor de bpm?

Het bedrag van de bpm dat u betaalt, en waarover u bpm betaalt, is afhankelijk van het motorrijtuig en het tarief van de bpm. Als een auto ‘gebruikt’ is, betaalt u minder bpm. Vanaf wanneer is dat het geval? Onlangs besliste de rechter dat een auto nieuw is als deze na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest. De auto in de betreffende zaak was maar drie dagen oud en had een tellerstand van 29 kilometer. Een dermate gering gebruik betekende volgens de rechter dat de auto nog steeds nieuw was en dus moest de volledige bpm betaald worden.

Tip: in een aantal gevallen hoeft u geen bpm te betalen. Bijvoorbeeld als u gebruik kunt maken van de ondernemersvrijstelling.

Auto importeren en bpm

Het aantal personen dat tegenwoordig zelf een gebruikte auto uit het buitenland haalt, neemt snel toe. Bent u dit ook van plan? Houd er dan rekening mee dat bij invoer van een gebruikte auto bpm betaald moet worden. Hoeveel bpm u betaalt, is afhankelijk van de leeftijd van de auto en is uitgedrukt in een percentage van de oorspronkelijke bpm.

Tip: de bpm voor een gebruikte auto kunt u op verschillende manieren berekenen. U mag de voordeligste manier toepassen. Op de site van de Belastingdienst vindt u deze methode.

En wat is gebruikt voor de btw?

De definitie van ‘gebruikt’ voor de btw wijkt af van die voor de bpm. Voor gebruikte auto’s die u importeert hoeft u geen btw te betalen, want die betaalt u al in het land van aankoop. Voor een nieuwe auto wel. Voor de btw is een auto gebruikt als deze meer dan zes maanden op kenteken staat én meer dan 6.000 km op de teller heeft.

Let op! Is aan één van beide voorwaarden niet voldaan, dan is de auto voor de btw nieuw en betaalt u gewoon de Nederlandse btw.

Heeft u vragen over de definitie van ‘nieuw’ bij invoer van een auto, neem dan contact met ons op.

(Bron: HLB)

In de laatste aangifte van het jaar neemt u een aantal afrekeningen op over het afgelopen kalenderjaar. U betaalt dan onder andere voor privégebruik van goederen en diensten die tot uw bedrijf behoren een gedeelte van de btw terug die u eerder hebt afgetrokken.

Privégebruik

Als u een bedrijf hebt, kan het gebeuren dat u ook privé gebruikmaakt van goederen of diensten uit uw bedrijf. Als u de btw over deze goederen of diensten eerder hebt afgetrokken als voorbelasting, moet u voor het privégebruik btw terugbetalen.

Auto

Ook voor de auto van de zaak betaalt u voor het privégebruik btw terug in de laatste btw-aangifte van het jaar.

Belaste en vrijgestelde omzet

Hebt u zowel omzet waarover u btw moet betalen, als omzet die is vrijgesteld van btw? Dan hebt u waarschijnlijk kosten en inkopen voor zowel de belaste als de vrijgestelde omzet. U maakt dan voor de aftrek van de belasting een inschatting van de uitgaven die u doet voor belaste omzet. De btw die u betaalt hebt over kosten en inkopen die u gebruikt voor belaste omzet, mag u aftrekken als voorbelasting. Aan het einde van het jaar bekijkt u of deze inschatting klopt. Als u btw moet corrigeren, doet u dit in de laatste aangifte van het jaar.

Personeelsvoorzieningen

Btw over personeelsvoorzieningen, giften en relatiegeschenken is beperkt aftrekbaar. Alleen als u per jaar per werknemer of relatie niet meer uitgeeft dan € 227, kunt u de btw hierover aftrekken. Hebt u meer uitgegeven en hebt u de btw hierover afgetrokken als voorbelasting, dan corrigeert u in de laatste aangifte uw voorbelasting.

Kleineondernemersregeling

Krijgt u per maand of kwartaal belastingvermindering vanwege de kleineondernemersregeling? En blijken de schattingen aan het eind van het jaar te hoog of te laag? Dan dient u bij Vermindering vanwege de kleineondernemersregeling dit te corrigeren.

 

Twijfelt u over bovenstaande regelingen wel goed verwerkt zijn in uw administratie? Neem gerust contact met ons op via richard.overweg@ambitions.nu of 06-57592486

De belastingkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in een proefproces de vermogensrendementsheffing over spaartegoeden in box 3 in stand gehouden voor de jaren 2013 en 2014. Bij de heffing wordt uitgegaan van een zogenaamd forfaitair rendement van 4%. Dit is een fictief percentage aan rendement waarover belasting betaald moet worden. Voor dit proefproces waren door de Belastingdienst onder meer twee zaken geselecteerd waarin belastingplichtigen stelden dat in de jaren 2013 en 2014 het forfaitaire rendement van 4% teveel afwijkt van het rendement dat daadwerkelijk behaald kan worden.

Eigendomsrecht

Het percentage van 4% is vastgelegd in de wet. De rechter moet de wet toepassen en kan daar alleen van afwijken als de wet in strijd is met een verdrag. Volgens de belanghebbenden is belastingheffing over een forfaitair rendement van 4% voor spaartegoeden in strijd met het eigendomsrecht zoals dat beschermd wordt in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM), omdat het percentage hoger is dan het daadwerkelijk te behalen rendement.

Niet in strijd met verdrag

De rechtbank is van oordeel dat de huidige heffing van 30% over een forfaitair rendement van 4% over spaartegoeden niet in algemene zin in strijd is met artikel 1 EP EVRM in de jaren 2013 en 2014. De Hoge Raad oordeelde eerder al dat de rendementsheffing voor de jaren 2010 en 2011 niet in strijd is met artikel 1. De Hoge Raad heeft daartoe geoordeeld dat voor die jaren niet is komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar was (het onhaalbaarheidscriterium). De rechtbank ziet geen aanleiding om voor de jaren 2013 en 2014 anders te oordelen. Ook voor die jaren is namelijk met alles wat de belanghebbenden hebben aangevoerd niet komen vast te staan dat aan het onhaalbaarheidscriterium wordt voldaan. Dat de werkelijk te behalen rendementen op spaartegoeden in die jaren lager zijn dan 4% is niet voldoende.

(Bron: Rechtspraak.nl)

In artikel 1:88 van het Burgerlijk Wetboek is het zogenaamde toestemmingsvereiste vastgelegd. Op basis van artikel 1:88 BW is voor het verrichten van bepaalde rechtshandelingen door de ene echtgenoot toestemming van de andere echtgenoot nodig. In artikel 1:88 BW is geregeld voor welke rechtshandelingen dit toestemmingsvereiste geldt.

Toestemming van de andere echtgenoot is bijvoorbeeld nodig bij de verkoop van de echtelijke woning, bovenmatige giften, borgstellingen en koopovereenkomsten op afbetaling die niet onder de normale uitoefening van een beroep of bedrijf vallen. Artikel 1:88 BW beperkt zich dus tot niet alledaagse rechtshandelingen die van grote invloed kunnen zijn op het leven van de echtgenoten.

Schending van artikel 1:88 BW leidt op basis van artikel 1:89 BW tot een vernietigingsbevoegdheid van de andere echtgenoot. Dit betekent dat de andere echtgenoot de rechtshandeling waarvoor de toestemming is vereist kan vernietigen wanneer deze toestemming niet is gegeven. Vernietiging van een rechtshandeling heeft terugwerkende kracht. Dit betekent dat partijen in de situatie moeten worden gebracht waarin zij zouden hebben verkeerd wanneer de rechtshandeling nooit had plaatsgevonden.

Het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 BW is door de wetgever in het leven geroepen om de echtgenoten, in het belang van het gezin, tegen elkaar te beschermen tegen het verrichten van rechtshandelingen die gezien het onderwerp of de aard daarvan een groot financieel risico met zich brengen.

Toestemming geven is vormvrij en kan dus ook mondeling worden gegeven. Voor het bewijs van het geven van toestemming is het wel aan te raden om de toestemming schriftelijk vast te leggen. Door het geven van toestemming wordt de andere echtgenoot geen partij bij de overeenkomst.

Toestemmingsvereiste geldt alleen voor echtgenoten

Het toestemmingsvereiste van 1:88 BW geldt alleen voor echtgenoten en geregistreerde partners. Samenwonenden – met of zonder samenlevingsovereenkomst – kunnen op artikel 1:88 BW geen beroep doen. Ook na een echtscheiding of een scheiding van tafel en bed kan de andere echtgenoot de overeenkomst nog vernietigen.

Zoals gezegd kan de andere echtgenoot in een aantal gevallen de rechtshandeling vernietigen.

De echtelijke woning

Op basis van artikel 1:88 BW lid 1 sub a is toestemming vereist voor bijvoorbeeld de verkoop of de verhuur van de echtelijke woning of tot verpanding van bijvoorbeeld een deel van de inboedel. Onder woning moet tevens worden verstaan een woonboot of stacaravan. Het maakt hierbij niet uit of beide echtgenoten in de woning leven of dat er maar één echtgenoot in de woning leeft.

Dit betekent dat voor een veelvoud aan rechtshandelingen met betrekking tot de woning en de inboedel van de echtgenoten de toestemming van de andere echtgenoot is vereist. Denk hierbij aan het vestigen van een hypotheekrecht op de woning, het verhuren van de woning of het vestigen van een pandrecht op een deel van de inboedel.

Giften

Op basis van artikel 1:88 lid 1 sub b BW is toestemming vereist van de andere echtgenoot bij giften die een echtgenoot heeft gedaan. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als uw echtgenoot een groot deel van uw beiden vermogen aan een goed doel wil schenken. Dit heeft ook voor u verstrekkende gevolgen. U moet alleen toestemming geven voor de giften van uw echtgenoot wanneer de gift bovenmatig of ongebruikelijk is. Of dit het geval is, is afhankelijk van de omstandigheden zoals bijvoorbeeld de hoogte van de gift en de financiële positie van de echtgenoten.

Borgstelling

Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub c BW is de overeenkomst die er toe strekt dat een echtgenoot zich bijvoorbeeld als borg of hoofdelijk schuldenaar voor de schuld van een ander verbind, vernietigbaar indien niet is voldaan aan het toestemmingsvereiste.

Deze toestemming is niet vereist wanneer de rechtshandeling in de normale uitoefening van het beroep of bedrijf is uitgevoerd.

Van deze uitzondering is slechts in uitzonderingsgevallen sprake. De echtgenoot dient zich in deze gevallen beroeps-of bedrijfsmatig bezig te houden met dit soort rechtshandelingen.

Indien een echtgenoot zich bijvoorbeeld in privé hoofdelijk verbonden heeft voor de lening die de bank aan zijn onderneming heeft verstrekt, dan is daarvoor in beginsel de toestemming van de andere echtgenoot nodig. Indien die toestemming niet is gegeven, dan kan die andere echtgenoot de afspraak dat de ene echtgenoot hoofdelijk aansprakelijk is voor de lening vernietigen.

Koop op afbetaling

Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW is toestemming van de andere echtgenoot vereist voor het aangaan van een overeenkomst tot koop op afbetaling.

Een koop op afbetaling kan bijzonder grote risico’s met zich meebrengen. Zoals vermeld, is de toestemming van de andere echtgenoot vereist bij overeenkomsten van koop op afbetaling indien deze niet geschieden in de normale uitoefening van het bedrijf van de ene echtgenoot.

De Hoge Raad heeft zich wat betreft de koop op afbetaling over artikel 1:88 BW en 1:89 BW uitgesproken. De Hoge Raad stelt voorop dat het doel van het toestemmingsvereiste is om echtgenoten, in hun belang en dat van het gezin, tegen elkaar te beschermen, onder meer wat betreft het verrichten van rechtshandelingen die kunnen ingrijpen in hun financiële positie, zoals die tot het aangaan van een koop op afbetaling.

Heeft u problemen met een hypotheek of met een koop op afbetaling en heeft u aan uw echtgenoot geen toestemming gegeven om de onderliggende overeenkomst aan te gaan? Dan is het raadzaam om na te gaan of u van de vernietigingsbevoegdheid uit artikel 1:88 jo. 1:89 BW gebruik kunt maken. Denk hierbij aan de verjaringstermijn van artikel 3:52 BW, waarover in een later blog meer!

(Bron: Wienen & Van Tellingen)

In uitgave 3 van de Nieuwsbrief Loonheffingen 2017 is aangegeven dat per 2017 voor de bijtelling privégebruik auto de zogenoemde datum van eerste toelating op de weg (DET) relevant is. Wat houdt dit in?

Per 1 januari 2017 wordt voor het bepalen van de bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak niet meer gesproken over het moment waarop de auto voor het eerst op naam is gesteld, maar over de datum van eerste toelating op de weg (DET). In de praktijk zal dit meestal dezelfde datum zijn, maar bij auto’s uit het buitenland kan er verschil zijn.

Bijtelling auto’s van vóór 2017 blijft 25%

De bijtelling voor auto’s van de zaak met een DET van op of na 1 januari 2017 bedraagt 22% van de cataloguswaarde van de auto. Alleen voor nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot geldt nog een verlaagd bijtellingspercentage van 4%.Dit tarief geldt voor 60 maanden vanaf de eerste dag van de maand na de DET van de auto van de zaak.
Voor auto’s van de zaak die vóór 2017 voor het eerst te naam zijn gesteld, geldt standaard (voor niet-zuinige auto’s) gedurende 60 maanden een bijtellingspercentage van 25%. Dit percentage is per 2017 niet naar beneden bijgesteld. Pas na afloop van de periode van 60 maanden gaat het nieuwe regime gelden.

(Bron: Rendement)

De hogere eenmalige vrijstelling voor de schenkbelasting voor de eigen woning komt terug vanaf 1 januari 2017. Het gaat om de vrijstelling van maximaal € 100.000. Wilt u gebruikmaken van deze vrijstelling? Dan moet u voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • U bent tussen de 18 en 40 jaar.
  • U gebruikt het bedrag van de schenking voor:
    • aankoop, verbetering of onderhoud van uw eigen woning
    • aflossing van uw eigenwoningschuld
    • aflossing van een restschuld van uw verkochte eigen woning
    • afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming

Er komt een overgangsregeling als u in 2015 of 2016 of vóór 2010 gebruik hebt gemaakt van een verhoogde vrijstelling. Meer over deze vrijstelling en de overgangsregeling leest u begin 2017 op onze site.

(Bron: Blastingdienst)

Echtscheiding ná 30 april 1995
Zijn jullie gescheiden na 30 april 1995? Dan geldt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps). Deze wet houdt in dat jij de helft van jouw tijdens de huwelijksperiode opgebouwde pensioen op moment van uitkering moet betalen aan je ex-partner.

Als jullie niet of niet tijdig melden welke afspraken zijn gemaakt, dan geldt alsnog dit recht op verdeling, maar moeten jullie dit onderling regelen. Het aan je ex-partner te betalen deel is een bruto bedrag. Voor de pensioengerechtigde, voor jou, kun je de betaalde bedragen van je belastbaar inkomen in mindering brengen en bij de ex wordt dit belast in de inkomstenbelasting.

Welke pensioenen worden verdeeld?
Er zijn een aantal soorten pensioenen die bij de scheiding wel of niet wordt verdeeld. We hebben ze voor je op een rijtje gezet.

Werknemerspensioen
Het ouderdomspensioen dat tijdens de huwelijkse periode is opgebouwd wordt volgens de Wet verevening vensioenrechten bij scheiding verdeeld.

Partnerpensioen
Het partnerpensioen wordt bij scheiding niet verdeeld, maar volledig omgezet in een bijzonder partnerpensioen. Het is belangrijk om bij een scheiding ook hierover afspraken te maken en deze te melden bij de pensioenuitvoerder.

Zelf gespaard pensioen
Zelf bij het pensioenfonds gespaard pensioen valt onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Zelf gespaard pensioen in een lijfrente of op een spaarrekening wordt meegenomen in de vermogensverdeling.

Andere afspraken maken over pensioenverdeling
Het is mogelijk om andere afspraken te maken over het te betalen pensioen aan je ex-partner. Kiezen jullie voor een overlegscheiding, dan zullen jullie onder begeleiding van een mediator kijken wat mogelijk is en wat jullie allebei graag willen. Soms wordt een andere verdeling afgesproken, of misschien zelfs helemaal geen verdeling. Jullie behouden dan ieder je eigen pensioen. Het is belangrijk om een goed overzicht te hebben van de financiële gevolgen, van zowel jou als van je partner, als jullie besluiten om het pensioen wel of niet te verdelen.

Een andere mogelijkheid is het omzetten van het gedeelde pensioen naar een eigen pensioen voor je ex. Dit wordt ook wel conversie genoemd.  Dit houdt in dat beide partners hun deel ontvangen wanneer zij de eigen pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Het voordeel hiervan is dat de ex die het pensioen niet zelf heeft opgebouwd, niet meer afhankelijk is van de andere ex-partner. Het deel wordt namelijk gezien als eigen pensioen. Een nadeel is wel dat je als pensioenopbouwer je deel niet meer terugkrijgt wanneer je ex-partner overlijdt. Let wel op: conversie is niet terug te draaien.

AOW ook te verdelen?
AOW is individueel. Je hoeft dit dus niet te delen met je partner. Heb je al AOW en ga je scheiden? Dan krijg je een alleenstaande AOW. Wil je weten hoe dit precies zit en hoe je dit regelt? Een van onze juristen geeft je graag antwoord.

Afspraken over je pensioen vastleggen in convenant
De afspraken die jullie maken over je ouderdomspensioen, worden vastgelegd in een convenant. Als jullie scheiding definitief is, moeten jullie binnen twee jaar nadat de scheiding is afgerond, de gemaakte afspraken over jullie pensioen bij je pensioenverzekeraar of pensioenfonds bekend maken.

Als je er samen met je ex-partner voor kiest om het opgebouwde ouderdomspensioen te verdelen en de gemaakte afspraken zijn binnen 2 jaar nadat de echtscheiding is ingeschreven aan de pensioenverzekeraar gemeld,  dan zal deze ervoor zorgen dat het deel  voor jouw ex-partner rechtstreeks wordt voldaan vanaf het moment dat je met pensioen gaat.

Worden de gemaakte afspraken niet binnen 2 jaar nadat de echtscheiding is ingeschreven aan de pensioenverzekeraar gemeld, dan heeft je ex-partner evengoed recht op een deel van jouw pensioen. Echter, dit wordt niet door de pensioenverzekeraar aan de ex betaald,  maar jij dient dit zelf over te maken. Om hierover problemen en discussies te voorkomen is het dus raadzaam om de pensioenverzekeraar tijdig te informeren.

Melding kan alleen met het formulier ‘Mededeling van scheiding in verband met verdeling van ouderdomspensioen’. Dit formulier kun je downloaden vanaf de website van de Rijksoverheid.

Pensioen ondergrens – geen verdeling
Het pensioen wordt niet altijd verdeeld. In de wet is er een ondergrens bepaald voor de uitbetaling door de pensioenuitvoerder. Deze ondergrens bedraagt € 465,95 bruto per jaar (2016). Indien het deel van je ex partner, na het verdelen van het pensioen, onder dit bedrag valt zal het pensioen niet worden verdeeld.

 

Laat je goed informeren
Als je gaat scheiden is het dus belangrijk om, na goed advies, afspraken te maken over de pensioenen. Ook al is het pensioen nog ver weg. Gaan jullie scheiden? Laat je dan goed informeren over de mogelijkheden en gevolgen voor het pensioen van jou en je ex-partner.

(Bron: Jurofoon)

Vanaf 1 januari 2017 gelden andere regels voor het aanmerken van een vordering als oninbaar en voor de manier waarop de betaalde BTW kan worden teruggevraagd. Daarnaast geldt een aanpassing voor het terugbetalen van afgetrokken voorbelasting door het niet betalen van de vordering.

De leverancier kan zijn op aangifte betaalde BTW terugvragen zodra het zeker is dat zijn vordering (gedeeltelijk) oninbaar is. Nieuw is dat de vordering in ieder geval 1 jaar ná de uiterste betaaldatum van de factuur, als oninbaar wordt aangemerkt. Daarnaast hoeft voor de teruggaaf geen apart verzoek meer te worden ingediend. De teruggaaf kan worden verwerkt in de BTW-aangifte.

Terugbetalen van afgetrokken voorbelasting

De afnemer moet zijn op aangifte afgetrokken voorbelasting terugbetalen als hij het factuurbedrag (deels) heeft teruggekregen of op het moment dat duidelijk is dat hij de factuur niet (helemaal) gaat betalen. Nieuw is dat de afnemer de BTW uiterlijk 1 jaar ná de uiterste betaaldatum van de factuur, moet terugbetalen.

Bron: Belastingdienst

‘Kunnen we het goede doel niet vragen of ze genoegen willen nemen met minder?’, vraagt Cees-Jan mij voorzichtig. Ik leg Cees-Jan uit dat het altijd mogelijk is om een dergelijk verzoek te doen, maar dat de praktijk leert dat goede doelen in bijna alle gevallen vasthouden aan wat er in het testament is vastgelegd. De laatste wil van de overledene moet tenslotte worden gerespecteerd. ‘Met andere woorden, vader had het zo gewild’, vat Cees- Jan gelaten samen.

Onverwacht

Steeds vaker worden erfgenamen onverwacht geconfronteerd met een bepaling in het testament waarin staat dat het positieve vermogen van de nalatenschap toekomt aan een goed doel. En daar waar de gedachte van de overledene misschien nobel en begrijpelijk is, vinden erfgenamen het vaak lastig om te accepteren dat niet zij het geld ontvangen, maar iemand die de overledene nooit heeft gekend. Dat terwijl de erfgenamen wel zelf de erfenis moeten regelen en niet zelden hun dierbare familielid hebben verzorgd tot aan het bittere einde.

Procedure

Soms halen dergelijke erfrechtelijke kwesties het nieuws. Misschien herinner je je het verhaal van de miljonair Arend Broekhuis nog. Hij  liet zijn erfenis van 26 miljoen en een groot landhuis na aan twee goede doelen. Volgens zijn familie had hij dit gedaan omdat hij ziek was en daardoor in de war. Bovendien zou het goede doel hem al tijdens zijn leven hebben benaderd over zijn erfenis. Toch wilden de goede doelen niet in gesprek met de familie. Daarom startte de familie in 2015 een gerechtelijke procedure. De uitkomst is nog onbekend.

Wilsbekwaam

‘Heeft zo’n procedure eigenlijk wel zin?’, vraagt Cees-Jan geïnteresseerd. Ik leg hem uit dat je in zeer uitzonderlijke gevallen het testament kunt aanvechten. Je moet dan wel medische verklaringen, van artsen en specialisten, kunnen overleggen welke aantonen dat de betrokkene niet wilsbekwaam was op het moment van het opstellen van het testament. Kort gezegd: vader was als gevolg van zijn ernstige (geestelijke) ziekte niet in staat om de gevolgen van zijn handeling ten volle te overzien. Een testament zal echter niet snel nietig worden verklaard door een rechter. Notarissen zijn beroepshalve verplicht strenge regels en protocollen te volgen om de wilsbekwaamheid van de persoon op meerdere momenten en manieren te toetsen.

Legitieme portie

Daarnaast vertel ik Cees-Jan dat hij in ieder geval aanspraak kan maken op zijn legitieme portie. Daar kunnen de kinderen van overledene binnen vijf jaar na overlijden aanspraak op maken, ook als ze in het testament zijn onterfd. Het is dus niet zo dat Cees-Jan helemaal niets zal erven, ook al lijkt dat wel in het testament te staan.

(bron: DAS)

Als het gelet op de omvang van de opgevoerde kosten en de aard en hoogte van de inkomsten onwaarschijnlijk is dat de aangiften juist zijn, moet de inspecteur dit nader onderzoeken. Als dit is nagelaten kan hij niet navorderen op grond van aanwezigheid van een nieuw feit.

Tot 2009 dreef een man een onderneming op het gebied van psychosociale-zorgverlening aan particulieren met een persoonsgebonden budget. Na staking van zijn onderneming zette hij zijn werkzaamheden voor drie cliënten nog voort. De hieraan relaterende inkomsten en kosten verwerkte zijn financieel deskundige in zijn aangiften onder resultaat uit overige werkzaamheden. Voor de jaren 2009 tot en met 2011 waren aanslagen opgelegd conform zijn aangiften. De inspecteur legde vervolgens echter navorderingsaanslagen op waarbij de in aanmerking genomen kosten alsnog buiten beschouwing werden gelaten.

In tegenstelling tot Rechtbank Den Haag, achtte Gerechtshof Den Haag de inspecteur niet geslaagd in zijn bewijslast dat sprake was van een nieuw feit. Bij het vaststellen van een IB-aanslag mag de inspecteur uitgaan van de juistheid van de gegevens zoals vermeld in de aangifte. Hij is alleen verplicht de aangifte nader te onderzoeken wanneer het onwaarschijnlijk is dat de aangifte juist is. De man had de inkomsten uit zijn PGB-activiteiten en de daaraan verbonden (reis)kosten expliciet in zijn aangiften vermeld. Gelet op de omvang van de opgevoerde kosten en de aard en hoogte van de inkomsten, had de inspecteur na normale zorgvuldige kennisneming van de aangiften voor het opleggen van de aanslagen moeten onderzoeken of de kosten voor aftrek in aanmerking konden komen. Door geen nadere gegevens en informatie in te winnen voordat hij de aanslagen vaststelde had de inspecteur een ambtelijk verzuim begaan volgens het hof. Het signaal van een collega onder verwijzing naar hetgeen in de aangiften was vermeld was voor de inspecteur kennelijk voldoende voor het opleggen van de navorderingsaanslagen. Daarmee bracht hij de facto tot uitdrukking het onwaarschijnlijk te achten dat de aangiften juist waren. De ondernemer kon geen kwade trouw worden verweten ter zake van de ingediende aangiften.

Heeft u ook een boekenonderzoek gehad en twijfelt u of opgelegde correcties wel juist zijn? Neem dan eens contact op voor een vrijblijvend gesprek met ons richard.overweg@ambitions.nu of 06-57592486